GELIJKMOEDIGHEID ALS LEVENSSTIJL

Vraag:

Ik las het artikel ‘Gelijkmoedigheid als levensstijl’. Er rees bij mij wel een vraag bij het lezen er van. Op welke manier dragen de drie andere gemoedstoestanden (P. brahmaviharas) bij aan de omvattende gemoedstoestand van de gelijkmoedigheid? Of wat is de onderlinge relatie of werking tussen deze vier gemoedstoestanden? Als ik het stuk over gelijkmoedigheid las, dacht ik eerst : klopt, maar waar verschilt het van nihilisme? Echter komen daar dan de drie andere gemoedstoestanden die er toch een ‘moraliteit’/ zachtheid/of betekenisgevend invulling en balans aan geven. Nog anders gesteld : waarom mededogen oefenen als alles illusie of verhaal is? Waarom een verhaal van liefdevolle vriendelijkheid binnen een onwerkelijk verhaal? Is medevreugde niet evenzeer een reactie/verhaal?

Antwoord:

Gelijkmoedigheid vormt de apotheose van de brahmavihara ‘s. Het is de nec plus ultra onder de ‘Vier Goddelijke Verblijven’.

De eerste drie ‘Onmetelijkheden’ vertonen allen nog een ‘oordeel’: liefdevolle vriendelijkheid (P. metta) is een wens voor het welzijn van alle wezens; mededogen (P. karuna) is een actie op leed; medevreugde (P. mudita) een actie op de vreugde, de successen en de deugd van anderen. Enkel gelijkmoedigheid draagt geen ‘oordeel’ in zich. Upekkha gaat voorbij aan oordelen, opinies, wensen, acties. Hierdoor transcendeert upekkha a.h.w. de eerste drie brahmavihara’s.

In feite komt gelijkmoedigheid neer op het realiseren—het verinnerlijken—van het feit dat het géén enkele zin heeft om op gebeurtenissen een waardeoordeel te kleven en al helemaal niet om in de wilde verhalen mee te gaan door alles wat als plezierig gepercipieerd wordt vast te willen houden en alles wat pijnlijk of ongewenst is van zich af te willen duwen.

Gelijkmoedigheid beschouwt alle ervaringen—zowel de aangename als de onaangename (én de neutrale!)—als volkomen gelijkwaardig.

Het leidt ertoe dat de brahmavihara van gelijkmoedigheid de meest geïntegreerde bewustzijnstoestand is en het minst bevooroordeelde beeld van andere wezens bij de beoefenaar oproept (of anders gezegd: de minste dualiteit met zich brengt): de mentale houding van gelijkmoedigheid reageert met metta, karuna en mudita op álle wezens, zonder enige voorkeur en zonder afkeer. De wortels van gelijkmoedigheid zijn immers de afwezigheid van verlangen, van afkeer en van onwetendheid waardoor ‘worden’ (P. bhava) geëlimineerd wordt.

Specifiek naar mededogen toe: karuna is geen synoniem voor medelijden. Bij medelijden staat de ‘ik’-persoon centraal. Medelijden wordt gereflecteerd door de spiegel van het ‘ik’. Bij mededogen is de dhammanuvatti verbonden met het leed en het lijden van álle andere levende wezens. In dukkha is hij—net zoals Avalokiteshvara, de bodhisattva van het mededogen—één met hen.

In deze onderlinge verbondenheid van alles met iedereen bestaat er—in de loop van de miljarden existenties die we samen doorgemaakt hebben—geen enkel levend wezen met wie wij niet op enig tijdstip enige relatie gehad hebben. Dit is waar de Boeddha in de eerste nachtwake vóór zijn ontwaken metaforisch naar verwijst, wanneer hij zich ‘zijn vorige levens herinnerde’ (P. pubbenivasanussati). Waar hij het eeuwige ‘proces’ van ontstaan en vergaan onderkent. Waar hij inzicht verwerft in de loze begrippen van geboorte en dood. Ajata en Amata.

Mededogen bezit hierdoor een universeel karakter en straalt doorheen het hele universum. Zonder onderscheid. Daardoor kan gelijkmoedigheid geen synoniem zijn voor onverschilligheid. En zeker niet voor nihilisme. Dit is een gevaarlijke dwaalweg. Het is dus van het allergrootste belang om niet in deze val te trappen.