VOORDRACHT OVER HET KENMERK VAN LEEGTE

De Boeddha predikte de Anattalakkhana Sutta, Samyutta Nikaya 22.59, op de vijfde dag nadat hij het Wiel van Dhamma in beweging had gezet met zijn eerste voordracht (Dhammacakkapavattana Sutta) (1) en nadat Kondanna, één van de Vijf Gezellen, als eerste discipel de stroom was ingegaan (P. sotapatti). (2) 

Ik heb de sutta-tekst vanuit het Pali integraal naar het Nederlands vertaald. Waarom zeg ik ‘integraal’? Omdat de meeste sutta’s tekstherhalingen bevatten. Dat is ook hier het geval. Het is een overblijfsel van de orale overlevering gedurende de eerste vijf eeuwen nà het overlijden (P. parinibbana) van de Boeddha. Deze herhaling van woorden was een middel om de teksten zo exact mogelijk te memoriseren en op deze manier zo juist mogelijk over te dragen naar de volgende generatie.

Deze sutta kan ingedeeld worden in vier verschillende onderwerpen. Zulke indeling (met Romeinse cijfers en tussen haakjes) maakt geen deel uit van de oorspronkelijke tekst, maar vergemakkelijkt wel de lectuur.

Hier volgt de integrale vertaling:

Eens verbleef de Verhevene in het Hertenpark van Isipatana in Sarnath, nabij Varanasi. Daar sprak hij de Vijf Gezellen als volgt toe: 

‘Monniken !’

‘Heer’, antwoordden de monniken. De Verhevene zei dit:

I. [—Niet-Zelf omdat men er geen controle over heeft—] 

‘Monniken, fysieke vorm (lichaam — P. rupa) is zonder zelf. Als fysieke vorm zelf zou zijn, zou men geen last ondervinden van fysieke vorm. Dan zou het volgende mogelijk zijn met fysieke vorm: ‘Laat mijn fysieke vorm zó zijn, óf laat mijn fysieke vorm niet zó zijn.’ 

Juist omdat fysieke vorm zelfloos is, Monniken, ondervindt men last van fysieke vorm en daarom is het volgende niet mogelijk met fysieke vorm: ‘Laat mijn fysieke vorm zó zijn, óf laat mijn fysieke vorm niet zó zijn.’ 

‘Monniken, gewaarwordingen (gevoelens — P. vedana) zijn zonder zelf. Als gewaarwordingen zelf zouden zijn, zou men geen last ondervinden van gewaarwordingen. Dan zou het volgende mogelijk zijn met gewaarwordingen: ‘Laat mijn gewaarwordingen zó zijn, óf laat mijn gewaarwordingen niet zó zijn.’ 

Juist omdat gewaarwordingen zelfloos zijn, Monniken, daarom ondervindt men last van gewaarwordingen en daarom is het volgende niet mogelijk met gewaarwordingen: ‘Laat mijn gewaarwordingen zó zijn, óf laat mijn gewaarwordingen niet zó zijn.’

‘Monniken, percepties (P. sanna) zijn zonder zelf. Als percepties zelf zouden zijn, zou men geen last ondervinden van percepties. Dan zou het volgende mogelijk zijn met percepties: ‘Laat mijn percepties zó zijn, óf laat mijn percepties niet zó zijn.’ 

Juist omdat percepties zelfloos zijn, Monniken, daarom ondervindt men last van percepties en daarom is het volgende niet mogelijk met percepties: ‘Laat mijn percepties zó zijn, óf laat mijn percepties niet zó zijn.’ 

‘Monniken, sankhara’s zijn zonder zelf. Als sankhara’s zelf zouden zijn, zou men geen last van sankhara’s ondervinden. Dan zou het volgende mogelijk zijn met sankhara’s: ‘Laat mijn sankhara’s zó zijn, óf laat mijn sankhara’s niet zó zijn.’

Juist omdat sankhara’s zelfloos zijn, Monniken, daarom ondervindt men last van sankhara’s en daarom is het volgende niet mogelijk met sankhara’s: ‘Laat mijn sankhara’s zó zijn, óf laat mijn sankhara’s niet zó zijn.’ 

‘Monniken, bewustzijn (P. vinnana) is zonder zelf. Als bewustzijn zelf zou zijn, zou men geen last van bewustzijn ondervinden. Dan zou het volgende mogelijk zijn met bewustzijn: ‘Laat mijn bewustzijn zó zijn, óf laat mijn bewustzijn niet zó zijn.’

Juist omdat bewustzijn zelfloos is, Monniken, daarom ondervindt men last van bewustzijn en daarom is het volgende niet mogelijk met bewustzijn: ‘Laat mijn bewustzijn zó zijn, óf laat mijn bewustzijn niet zó zijn.’

II. [—Alles is veranderlijk, onbevredigend en zelfloos—]

‘Wat denken jullie, Monniken? Is fysieke vorm constant of veranderlijk?’ 

‘Veranderlijk, Heer’. 

‘En wat veranderlijk is, is dat onbevredigend of bevredigend?’

‘Onbevredigend, Heer’.

‘En wat veranderlijk, onbevredigend en aan verandering onderhevig is, is het passend om dat als volgt te beschouwen: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf?’

‘Neen, Heer’.

‘Wat denken jullie, Monniken ? Zijn gewaarwordingen (gevoelens) constant of veranderlijk?’

‘Veranderlijk, Heer’.

‘En wat veranderlijk is, is dat onbevredigend of bevredigend?’ 

‘Onbevredigend, Heer’.

‘En wat veranderlijk, onbevredigend en aan verandering onderhevig is, is het passend om dat als volgt te beschouwen: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf?’

‘Neen, Heer.’ 

‘Wat denken jullie, Monniken? Zijn percepties constant of veranderlijk?’

‘Veranderlijk, Heer.’

‘En wat veranderlijk is, is dat onbevredigend of bevredigend?’

‘Onbevredigend, Heer’.

‘En wat veranderlijk, onbevredigend en aan verandering onderhevig is, is het passend om dat als volgt te beschouwen: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf?’

‘Neen, Heer’.

‘Wat denken jullie, Monniken? Zijn sankhara’s constant of veranderlijk?’ 

‘Veranderlijk, Heer’.

‘En wat veranderlijk is, is dat onbevredigend of bevredigend?’ 

‘Onbevredigend, Heer’.

‘En wat veranderlijk, onbevredigend en aan verandering onderhevig is, is het passend om dat als volgt te beschouwen: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf?’ 

‘Neen, Heer.’ 

‘Wat denken jullie, Monniken? Is bewustzijn constant of veranderlijk?’ 

‘Veranderlijk, Heer’. 

‘En wat veranderlijk is, is dat onbevredigend of bevredigend?’ 

‘Onbevredigend, Heer’.

‘En wat veranderlijk, onbevredigend en aan verandering onderhevig is, is het passend om dat als volgt te beschouwen: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf?’’

‘Neen, Heer’. 

III. [—Alles moet als volkomen zelfloos beschouwd te worden—] 

‘Daarom, Monniken, aangaande wat voor fysieke vorm dan ook: in het verleden, de toekomst of het heden, inwendig of uitwendig, grof of fijn, inferieur of superieur, ver weg of dichtbij:

Álle fysieke vormen dienen met juist inzicht, overeenkomstig de waarheid, als volgt te worden beschouwd: ‘Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.’

‘Aangaande wat voor gewaarwordingen (gevoelens) dan ook: in het verleden, de toekomst of het heden, inwendig of uitwendig, grof of fijn, inferieur of superieur, ver weg of dichtbij: 

Álle gewaarwordingen dienen met juist inzicht, overeenkomstig de waarheid, als volgt te worden beschouwd: ‘Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.’ 

‘Aangaande wat voor percepties dan ook: in het verleden, de toekomst of het heden, inwendig of uitwendig, grof of fijn, inferieur of superieur, ver weg of dichtbij: 

Álle percepties dienen met juist inzicht, overeenkomstig de waarheid, als volgt te worden beschouwd:’ Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.’ 

‘Aangaande wat voor sankhara’s dan ook: in het verleden, de toekomst of het heden, inwendig of uitwendig, grof of fijn, inferieur of superieur, ver weg of dichtbij: 

Álle sankhara’s dienen met juist inzicht, overeenkomstig de waarheid, als volgt te worden beschouwd: ‘Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.’ 

‘Aangaande wat voor bewustzijn dan ook: in het verleden, de toekomst of het heden, inwendig of uitwendig, grof of fijn, inferieur of superieur, ver weg of dichtbij: 

Ál het bewustzijn dient met juist inzicht, overeenkomstig de waarheid, als volgt te worden beschouwd: ‘Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.’

IV. [—Het resultaat van juist inzicht—] 

‘Een goed onderwezen edele discipel, die dit alles met juist inzicht beschouwt: baalt van fysieke vorm; baalt van gevoelens; baalt van percepties; baalt van formaties; baalt van bewustzijn. Doordat hij ervan baalt, wordt hij passieloos. Doordat hij passieloos is, wordt [zijn geest] bevrijd. Doordat zijn geest bevrijd is, is er de kennis dat zijn geest bevrijd is.

Hij beseft:

‘Geboorte is ten einde, het spirituele leven is geleefd, wat gedaan moest worden is gedaan, er is geen verdere toestand van bestaan’.

Zo sprak de Verhevene.

En de Vijf Gezellen waren tevreden en verheugd met de woorden van de Verhevene. En terwijl deze uiteenzetting werd gegeven, werden de harten van de Vijf Gezellen door onthechting bevrijd van bezoedelingen.  

Tot zover de integrale tekst van de Anattalakkhana Sutta.

In de Anattalakkhana Sutta verhaalt de Boeddha hoe hij met zijn goddelijk oog (3) ‘zag’ dat niets een onveranderlijke kern bezit. Dat alles uiterst vluchtig is en niet substantieel. Hij ‘zag’ dat alle verschijnselen ‘leeg’ (P. sunna) (4) zijn aan een eigen onafhankelijk zelf: de lege en niet-substantiële natuur van alle fenomenen. Sunnata is de diepe werkelijkheid die ten grondslag ligt aan álle verschijnselen. In geen enkel verschijnsel kan een ‘zelf’ aanwezig zijn vermits elk fenomeen voor zijn ontstaan, bestaan en vergaan afhankelijk is van een multitude van oorzaken (P. hetu’s) en voorwaarden(P. paccaya’s). Maar, contradictio in terminis, deze ‘leegte’ draagt ook de oneindigheid van alle dingen in zich. Het vormt het eeuwige proces waar alle vormen van doordrongen en verzadigd zijn.

De dhammanuvatti die de leegte in zichzelf realiseert, ziet de Dhamma. Hij ontwaakt, wordt wakker. Ontwaken onthult anatta—het niet-iets van de verschijnselen—in zijn volle glorie. Het maakt hem duidelijk dat niets los staat van alle andere dingen. Het besef dat alle fenomenen deze aard van ‘niet-zijn’ bezitten, maakt dat de dhammanuvatti een diep mededogen (P. karuna) ontwikkelt voor de andere en al het andere. Voor alles wat hem omringt. Aangezien alle wezens onderworpen zijn aan dezelfde wetmatigheid in dit bestaan, kan/mag men nooit iemand oordelen of veroordelen, kan/mag men niemand afstoten of uitsluiten. Karuna is in feite het solidariteitsgevoel met alles wat bestaat. Zonder mededogen is elke beoefening nutteloos, dor en schraal. De term ‘beoefening’ niet waard.

Karuna uit zich in het zich onthouden van het veroorzaken van pijn, van haat, woede en boosheid aan anderen, net zoals men geen pijn, haat, woede en boosheid toebrengt aan één van zijn eigen ledematen. 

Op boosheid kan je geen beoefening bouwen. Wanneer je, zoals Avalokiteshvara, (5) bereid bent om te kijken, wordt het lijden in al zijn facetten duidelijk zichtbaar. En bereidheid om te kijken is bereidheid om die pijn ook onder ogen te zien én te trachten ze te lenigen. Net zoals Avalokiteshvara zijn elf gezichten en zijn duizend armen mededogend ontvouwt.

Door wakker te worden, verdwijnt bij de beoefenaar in één klap zijn/haar existentiële angst: leven is dood en dood is leven. Zijn en niet-zijn heffen elkaar plóts compleet op. Bij de dhammanuvatti die dit inzicht ervaart, ontstaat totale aanvaarding van al wat ís. 

De absolute en overal in de hele wereld aantoonbare waarheid (P. sacca = datgene wat wáár is) van anatta maakt de basis uit van de Dhamma. Anatta is er de oorzaak van dat de Leer van de Boeddha, de Buddhadhamma, doorgaans als een pessimistische leer bestempeld wordt. (6)

Dit is een misvatting: het enige wat de Boeddha deed was ons een realistische kijk geven op de werkelijkheid, namelijk ons de werkelijkheid te tonen en te beschrijven zoals ze is—as it is. De wáre aard van de werkelijkheid (P. yatha-bhuta)—niet zoals we zouden willen of wensen dat ze is. Of juist niet zouden willen of wensen dat ze is. 

De Buddhadhamma belooft haar volgelingen geen Elyzese Velden, geen paradijs met engelen en cherubijnen—gandhabba’s (7) in het Pali. Evenmin belast de leer van de Boeddha haar adepten met schuld en wroeging. Ook belaadt de leer hen niet met allerlei denkbeeldige (erf)zonden en boetedoening. De Buddhadhamma vertelt haar volgelingen precies en objectief wat de wérkelijke aard van de dingen is. Wat de zo-heid van het bestaan is. En wijst hen op deze manier de weg naar bevrijding uit dukkha en innerlijke vrede. In dít leven.

Het bestaan wordt gekenmerkt door dualiteit: gezondheid en ziekte; jong en oud, geluk en ongeluk, arm en rijk. Als mens hebben wij een voorkeur voor aangename dingen en een afkeer voor onaangename (beter: voor wat ‘wij’ persoonlijk ‘aangenaam’ resp. ‘onaangenaam’ vinden). 

Het feit dat wijzelf geen beslissingskracht bezitten om onze voorkeuren te realiseren vormt de oorzaak van ons lijden. Alle wereldse fenomenen zijn onbevredigend door hun vergankelijk en onbeheersbaar karakter. (8)

Eenzelfde gedachtengang wordt door de Boeddha ontwikkeld in de Samyutta Nikaya: (9)

Bevrijding uit dukkha is slechts mogelijk als we de dingen, zoals ze werkelijkheid zijn, herkennen (P. pariyatti), erkennen (P. patipatti) en dit diepe inzicht in onszelf gelijkmoedig realiseren (P. pativedha).

Dat is de enige ontsnappingsroute uit onze onvrede. Uit dukkha.

We moeten onze illusie over bestendigheid en controle loslaten. Onze geconditioneerde begoocheling onderbrengen onder de rubriek ‘leugens’, ‘onwaarheid’.

Het loslaten van deze illusie, het niet-meer-geïnteresseerd-zijn in, de ontnuchtering erover, de ontgoocheling, de desillusie—het j’en ai marre-gevoel, noemt men nibbida (P.).

We moeten inzien dat het hechten, het vastklampen, het bestendige vuur van ‘worden’ (P. bhava), het permanent brandstof geven aan onze verlangens, géén énkele zin heeft omdat de natuur van dit universum zó is—de zó-heid van de werkelijkheid—dat er énkel vergankelijkheid, lijden en zelfloosheid te vinden is. Dat alles een eeuwig proces is van ontstaan en vergaan, waar we géén énkele invloed op hebben. 

Ajahn Brahm: (10) 

Wanneer je nadenkt over het leven, dan realiseer je je dat het een complete chaos is. En deze chaos die je toch niet onder controle krijgt, moet je je niet aantrekken.

We moeten beseffen dat wanneer we de brandstof van het ‘worden’ afsluiten ook onze onwetendheid een einde neemt. Dit is ‘verlichting’. Ontwaken. Wakker worden. (11)

Wanneer we nibbida begrijpen, verliezen alle zintuiglijke objecten (materiële en mentale) hun belangrijkheid. Nibbida leidt tot viraga, het wegsterven van de dingen; begeerteloosheid; zonder verlangen zijn. Viraga leidt tot upasama, een innerlijke toestand van stilte, rust en vrede. En upasama voert naar nibbana.

Schematisch ziet het er zó uit: Nibbida → Viraga → Upasama → Nibbana

Het enige alternatief (als je dit een optie kunt noemen) voor dit inzicht is dat we weglopen van dukkha. Dat we ons verstoppen voor de realiteit. Dat we allerlei vluchtwegen inslaan: fantaseren, werken, vermaak, reizen, praten, drinken, drugs, etc… 

Daar zijn de meeste ‘wereldlingen’ (P. puthujjana’s) uiterst bedreven is… Maar het zet geen zoden aan de dijk. Het levert géén énkele oplossing aan het probleem van dukkha.

Ajahn Brahm: (12) 

Om te mediteren hoef je je geest niet op de adem te fixeren; hoef je het verleden en de toekomst niet los te laten; hoef je niet de denkende geest het zwijgen op te leggen.

Overweeg gewoon dukkha en begrijp het. In het NU, door alles wat je ook maar ervaart. Door dat inzicht zal je ontdekken dat de wereld verdwijnt. Dat de wereld waarin je gewoon bent te spelen in belang afneemt. Dat je die speeltuin zelfs niet meer wilt bezoeken. Die speeltuin van je zintuigen, van het verleden en de toekomst, van seks en dromen, zal vervagen.

Dit gebeurt niet omdat jij het laat gebeuren, maar omdat weglopen de natuurlijke reactie van de geest is wanneer hij dukkha ziet. 

En terwijl alles vervaagt, komt meditatie in de plaats. Je ‘wordt’ geen mediteerder. Meditatie ‘gebeurt’ gewoon. Het is een pad, een route. Met wegwijzers, met oriëntatiepunten op de weg waar alles leeg wordt en tot stilstand komt.

Dit is wat er gebeurt als je loslaat. Loslaat.

Mijn integrale vertaling van de Anattalakkhana Sutta vanuit de Pali-tekst naar het Nederlands kan je ook nog vinden onder de hoofdrubriek ‘Sutta’s’ op deze website.

___________

(1) Dhammacakkappavattana Sutta (Samyutta Nikaya 56:11) Dhamma+cakka +pavattana: Dhamma = de Leer; cakka = het wiel; pavattana = uitvoering, in beweging brengen; sutta = voordracht. Dhammacakkappavattana Sutta = letterlijk: de Voordracht over het in beweging zetten van het Wiel van Dhamma.

(2) Kondanna is de eerste discipel van de Boeddha die tot inzicht kwam. Hij is de eerste ‘stroombetreder’ (P. sotapanna). De stroombetreding (P. sotapatti) van Kondanna is één van de meest aangrijpende passages in de Pali-canon. Waarom? Omdat het de plaats is waar élke yogi, elke dhammanuvatti, tot inzicht komt.

Nadat de Boeddha de Vier Edele Waarheden heeft uitgelegd aan de Vijf Gezellen uitte de Verhevene deze geïnspireerde woorden: “Versta je het, Kondanna? Waarlijk: Kondanna verstaat het, Vrienden!” (Voor de integrale tekst van deze eerste voordracht kan je hier klikken).

De betekenis van deze zin is dat Kondanna, na de uiteenzetting van de Boeddha, de stroom betrad, d.i. stroombetreder werd. Nadat de Boeddha de tweede voordracht—de Anattalakkhana Sutta—gegeven had, begreep Kondanna plots de volledige Leer en werd arahant. Van dat moment af noemde men hem Annata-Kondanna. (zie de aparte schrijfwijze van ‘annata’ versus ‘anatta’—cfr. Oxford Reference). Annata-Kondanna vroeg aan de Boeddha of hij hem mocht volgen, d.i. zijn volgeling worden. De Boeddha antwoordde met twee woorden: ‘Ehi bhikkhu’—’Kom monnik’. Wellicht ’s werelds kortste toetredingsceremonie. En veruit de mooiste!

Er is nog een andere reden waarom Kondanna ‘de weter’ genoemd wordt. Na de geboorte van Siddhattha verklaarde hij dat het kind geen wereldheerser (P. cakkavatti—een universele monarch, een koning van de koningen) zou worden, maar een Boeddha, een spirituele leider. Het verhaal gaat als volgt: vijf dagen na de geboorte van Siddhattha riep koning Suddhodana acht belangrijke brahmaanse priesters, waaronder Kondanna, samen om uit te maken wat het kind later zou worden. De reden voor deze bijeenroeping was het rechtstreekse gevolg van de voorspelling van Asita, een oude Muni, dat het kind ofwel een wereldheerser, ofwel een Boeddha zou worden. Van de acht brahmanen waren er zeven die voorspelden dat Siddhattha een cakkavatti zou worden, wat Suddhodana erg plezierde. Enkel de jongste van de acht brahmanen, Kondanna, profeteerde dat het kind een Boeddha zou worden. Vandaar ook de naam: ‘de weter’. En om het Kondanna-verhaal helemaal af te ronden: hij werd de eerste abt van het Veluvana-klooster in Rajagaha. Tot op heden een prachtige plaats om er te vertoeven! En om er te mediteren. Zeker als je het hele verhaal kent. En zo een onlosmakelijk deel wordt van het Geheel. Van het Proces.

(3) ‘goddelijk oog’ dibbacakkhu (P.): dibba+cakkhu: dibba = goddelijk; cakkhu = oog. Dibbacakkhu = het goddelijk oog. Dibbacakkhu nana = het inzicht waardoor men alles kan bekijken vanuit alle mogelijke richtingen en perspectieven. 

(4) ‘sunna’ (P.) = leeg (adjectief); ‘sunnata’ = leegte (zelfstandig naamwoord).

(5) Avalokiteshvara (Sanskr.) avalokita+ishvara: avalokita = ‘hij die ziet, hij die staart [naar iets]’; ishvara = ‘heer’. Dus letterlijk: ‘de Heer die kijkt’. Ishvara is tevens een epitheton voor de Hindu-god Shiva. De letterlijke betekenis van Avalokiteshvara is: ‘de Heer die neerkijkt op de wereld’. Hij wordt afgebeeld met duizend armen, elk met een alziend oog in de handpalm. Avalokiteshvara is, in het Mahayana, de bodhisattva die het mededogen (P. karuna) van alle Boeddhas belichaamt. Hij ziet en aanhoort het lijden van de mensheid en stelt zijn eigen boeddhaschap uit tot hij iedereen op aarde geholpen heeft om tot Zelfrealisatie te komen. De boddhisattva Avalokiteshvara gaat 4 maal voorbij: hij gaat voorbij materie (het lichaam, het tastbare, het visuele); hij gaat voorbij het leven (de cyclus van leven en dood, samsara); hij gaat voorbij het bewustzijn (denken, zelf, gedachtenstroom, ego); en hij gaat voorbij ‘voorbij’ (het ongecreëerde). Dit overstijgt alle concepten. De cirkel is nu volkomen rond. Enzo. Full circle. Dit is Ouroboros, de Griekse oerslang, die in zijn eigen staart bijt en in wiens metafysische cirkel—mutatis mutandis—de Indische Shiva Nataraja zijn androgyne kosmische dans volvoert. Dit is het punt omega van Teilhard de Chardin. Dit is het eeuwige terugkeren; het thuiskomen en de eenheid van alles. Dit is Verlichting. Dit is Realisatie. Nibbana.

(6) Hans Wolfgang Schumann, (1998), De historische Boeddha p. 170 — ‘Hoewel zij het bestaan als leedvol beschouwt, is de leer van de Boeddha niet pessimistisch, maar wekt in haar aanhangers juist vertrouwen en innerlijke vrijheid.’

Dit is ook de mening van Taitetsu Unno (2008), Number One Fool Tricycle, Spring 2008 —’Boeddhisme is een pad van ultiem optimisme vermits één van de basisprincipes is dat geen enkel menselijk leven of ervaring mag verspild of vergeten worden, maar dat alles moet worden getransformeerd in een bron van wijsheid en mededogen.’

(7) gandhabba (P.): mythologische hemelse minnestrelen. In de commentaren worden ze meestal opgevoerd met een onmiskenbaar minachtende ondertoon. Ze stonden niet in hoog aanzien bij de bhikkhu’s. Voor monniken werd het als een oneer beschouwd om ‘vereenzelvigd’ te worden met een gandhabba. Het werd als een scheldwoord beschouwd.

(8) Koster, Frits, (1999), Bevrijdend Inzicht p. 26

(9) Samyutta Nikaya, 22

(10) Brahm, Ajahn, (2011), The Art of Disappearing. The Buddha’s Path to Lasting Joy p. 5

(11) Ontwaken, Wakker worden, Verlichting, Zelfrealisatie, draagt niets esoterisch in zich. Het is de complete transformatie die ontstaat wanneer de dhammanuvatti plóts inzicht verwerft (stroombetreding, sotapatti) in de ware aard van de verschijnselen. Elke poging om het anders te definiëren leidt slechts tot verwar-ring. Ontwaken is ontwaken. Punt. Niet alles valt in woorden en concepten uit te drukken.

(12) Ibid. p. 14