
Veel beoefenaars blijven hangen in gelukzaligheid. De geest wordt stil, het lichaam licht, de ervaring verfijnd. Er is rust, vrede, soms zelfs een diep gevoel van vervulling. En precies daar ontstaat het risico van stilstand. Wat aangenaam is, wordt vastgehouden. Wat rust schenkt, wordt een toevlucht. Zo sluipt gehechtheid (upādāna; id.) binnen, niet grof, maar subtiel.
Deze gelukzaligheid ontstaat wanneer verstilling (samatha) uitmondt in eenheid van geest (samādhi; id.). (*) Zij is geconditioneerd (saṅkhata; saṃskṛta), ontstaan uit oorzaken en voorwaarden(paccaya; pratyaya). Wat ontstaat, draagt onvermijdelijk het kenmerk van vergankelijkheid (anicca; id.). Hoe zuiver en vredig ook, deze toestand is niet vrij van worden (bhava; id.). Wie hier blijft rusten, blijft—hoe verfijnd ook—binnen het domein van ontstaan en vergaan (saṃsāra; id.).
Dit wordt bijzonder duidelijk in de ervaring van de jhāna’s. De jhāna’szijn diepe staten van verstilling en gelukzaligheid, gedragen door een sterk verfijnde aandacht. Zij zuiveren de geest, verzwakken de hindernissen (pañca nīvaraṇa; pañca nivāraṇāḥ) en brengen helderheid en stabiliteit. Maar ook de jhāna’s zijn samengesteld uit oorzaken en voorwaarden. Zij ontstaan, bestaan eventjes en vergaan. Hoe subliem ook, zij behoren tot het geconditioneerde en kunnen daarom niet tot bevrijding (vimutti; vimukti) leiden.
Wil bevrijding mogelijk worden, dan moet de beoefenaar bereid zijn ook deze verfijnde gelukzaligheid los te laten. Niet door haar te verwerpen, maar door haar volledig te doorzien. Wanneer zelfs het subtiele genoegen van de jhāna’s niet langer wordt vastgehouden, opent zich het veld van inzicht (paññā; prajñā). Dan wordt zichtbaar dat ook stilte, rust en vreugde geen vaste grond bieden.
Het bevrijdingspad vraagt daarom om verder te gaan—niet naar iets beters, maar voorbij het aangename. Daar waar niet langer gerust wordt in ervaring, maar waar ervaring zelf wordt gezien als geconditioneerd, als komend en gaand. In dat zien verliest het hechten zijn voedingsbodem (upādhi; id.), en wordt het hart ontvankelijk voor wat niet ontstaat.
Pas wanneer ook gelukzaligheid mag vergaan, kan het Ongeborene (ajāta; id.), het ongeconditioneerde (asaṅkhata; asaṃskṛta) worden herkend. Niet als ervaring, niet als toestand, maar als bevrijding van elke toestand. Daar eindigt het rusten in het aangename, en opent zich de vrijheid die niet afhankelijk is van wat verschijnt of verdwijnt. Nibbāna (nirvāṇa).
__________
(*) Samatha verwijst hier naar het praktijk-aspect: het tot rust brengen en verfijnen van de geest; samādhi naar de mentale toestand van eenheid en stabiliteit, als een resultaat of kwaliteit van de geest. Hoewel beide onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, blijven zij binnen het domein van het geconditioneerde en kunnen zij op zichzelf niet tot bevrijding leiden.
