DE TEMPELS VAN BAGAN

De 4.400 tempels van Bagan, gelegen in Myanmar, het vroegere Birma, bieden een indrukwekkende visuele representatie van het boeddhistische concept van ‘anicca‘, dat verwijst naar de vergankelijkheid van alle dingen. Deze tempels, die dateren uit de 11e tot 13e eeuw, belichamen op verschillende manieren het idee van vergankelijkheid.

Allereerst getuigen de bouwstijlen en materialen van de tempels van de veranderlijkheid van alles in het materiële bestaan. Door de eeuwen heen zijn de tempels onderhevig geweest aan natuurkrachten, zoals aardbevingen en erosie. Dit heeft geleid tot instortingen, reconstructies en restauraties. De constant veranderende fysieke staat van de tempels illustreert het voorbijgaande karakter van alle dingen, zoals benadrukt in het concept van anicca.

Daarnaast weerspiegelt de iconografie binnenin de tempels het idee van vergankelijkheid. Muurschilderingen en beeldhouwwerken tonen vaak scènes uit het leven van Boeddha, inclusief zijn geboorte, verlichting en dood. Deze verhalen benadrukken de cyclus van het leven, de vergankelijkheid van jeugd, gezondheid en uiteindelijk de dood. Dit brengt de toeschouwer in herinnering aan de constante verandering en onvermijdelijke eindigheid van het aardse bestaan.

Ten slotte illustreren de verlaten tempels zelf het principe van anicca. Sommige tempels zijn verlaten en in ruïnes achtergelaten, terwijl andere nog steeds actief gebruikt worden. Dit contrast benadrukt de tijdelijkheid van elke menselijke activiteit en de voortdurende evolutie van de omgeving. De natuurlijke omgeving in combinatie met menselijke interventie toont aan dat alles onderhevig is aan verandering, en dat geen enkel object of structuur voor altijd hetzelfde blijft. Verlang er niet naar en hecht je er niet aan.

In essentie vertegenwoordigen de tempels van Bagan op verschillende niveaus de leer van anicca, waarbij ze ons aansporen om de vergankelijkheid van het leven te begrijpen en te aanvaarden.