WEDERGEBOORTE IS GEEN ‘DOEL’

Wedergeboorte is een metafoor die in de sutta’s gebruikt wordt om aan te geven dat alle manifestaties, verschijnselen, dingen, fenomenen… ontstaan en vergaan in elk moment. Ontstaan en vergaan als een eeuwig proces van eenzelfde energie. Niets blijft ook maar één ogenblik identiek. Door deze permanente veranderlijkheid en vergankelijkheid (P. anicca) bezitten manifestaties geen enkele stabiliteit, geen enkel ‘zelf’: ze zijn zelfloos (P. anatta). Zelfloosheid is hun wezenlijke natuur. Tathata.

Elke identificatie met de wereld van de vormen, verschijnselen, fenomenen, dingen, dhamma’s, veroorzaakt pijn. Wie zich identificeert met zulke veranderlijke, vergankelijke, zelfloze manifestaties roept onvrede (P. dukkha) over zich af.

De dhammanuvatti die de stroom betreedt, ziet en weet—janami passami—dat zijn ‘ik’ slechts een illusie is, een begoocheling. Hij weet (→ hij realiseert = hij herkent, erkent en wordt er één mee): dit ‘ik’ ben ik niet. Hij beseft dat hij niet als een separaat, autonoom, eeuwig ‘zelf’ bestaat. Integendeel: hij is slechts ‘ruimte’ waarin ‘zijn’ ‘ik’-manifestatie ontstaat en vergaat. Hij wéét dat de ware aard van dit ‘ik’ niets anders is dan ‘ruimte’, dan ‘lucht’, waar geen enkel onderscheid bestaat tussen dit ‘ik’ en alle andere levende wezens.

Wedergeboorte kan/mag nooit een ‘doel’ vormen voor de beoefenaar. Het enige ‘doel’ dat de yogi zich moet stellen is: bevrijding uit lijden. In dít leven. Zelfrealisatie. Nibbana.

Bevrijding uit dukkha is slechts mogelijk wanneer de dhammanuvatti de perceptuele conditionering (P. anusaya) vernietigt waardoor hij zichzelf en de hem omringende wereld beschouwt als permanent, comfortabel, duurzaam, stabiel.

Het realiseren van deze bevrijding (P. vimutti) is een diepe ervaring. Een spirituele transformatie. Een experiëntiële ervaring (P. paccanubhoti) die zijn hoogste autoriteit wordt. Een experiëntie van heelheid van alles-met-alles. Waar alle facetten van het bestaan met elkaar vervlechten. Indra’s net.

Het is een ervaring die niet in woorden en concepten uit te drukken valt. In de Pathamanibbana Sutta omschrijft de Boeddha dit als volgt:

 Er is, Monniken, een sfeer van ervaring die zich bevindt voorbij het totale domein van materie en voorbij het totale domein van de geest. Het is een sfeer die niet deze wereld, noch een andere wereld is, noch een sfeer van beide. Van deze sfeer, Monniken, zeg ik dat er geen ontstaan is, dat er geen vergaan is, dat er geen bestendigheid heerst, dat er geen dood is, dat er geen wedergeboorte is. In deze sfeer is er geen stilstaan, geen ontwikkeling, geen voorwaardelijke basis. Dit is het einde van lijden.