DE BOEDDHA KEEK EN ZAG…

De Boeddha was geen dromer. Hij baseerde zich op de realiteit zoals ze wérkelijk was. Op de natuurwet. Op Dhamma. Niet op tradities; niet op geruchten; niet op vermoedens; niet op gissingen; niet op axioma’s; niet op het aanvaarden van zienswijzen na overpeinzing; niet op waarschijnlijkheid; niet op wat anderen gezegd hadden…

… Hij keek en zag. Wat hij onderwees, kwam voort uit directe ervaring (paccanubhoti; praty-anubhava): de werkelijkheid zoals ze zich onthult. 

Wat hij nadien voor zijn volgelingen samenvatte in de Vier Edele Waarheden—niet als leer om te geloven, maar als wat begrepen (pariyatti; paryāpti), beoefend (paṭipatti; pratipatti) en doorzien (paṭivedha; prativedha) wordt.