YATHA-BHUTA

Onderstaand verhaaltje is een treffende illustratie van hoe ons vertroebeld zicht op de werkelijkheid zorgt voor dukkha.

‘Er waren eens een moeder en een zoon. De zoon had een vrouw en ze leefden met zijn drieën samen. Op een dag vertrok de zoon naar een ander land. Voor zijn vertrek droeg hij zijn vrouw op tijdens zijn afwezigheid goed voor zijn moeder te zorgen. En terwijl de zoon in het buitenland verbleef, hielp de vrouw de moeder zo goed mogelijk door haar maaltijden te bereiden, enzovoort.

Maar de moeder kreeg staar en alles wat ze zag, leek bedekt te zijn met kleine haartjes. Zelf had ze geen erg in haar ziekte, maar ze begon tegen haar schoondochter te klagen dat deze haar ongewassen eten voorzette. Doordat ze niet behoorlijk at, ontstonden vervolgens weer andere problemen die er toe leidden dat ze ook nog ziek werd. Toen de zoon thuiskwam vertelde zijn moeder hem dat zijn vrouw haar tijdens zijn afwezigheid alleen ongewassen eten had voorgezet en dat ze zich daarom niet goed voelde. De zoon werd erg boos en verweet zijn vrouw dat ze zich slecht gedragen had door zijn moeder geen behoorlijke maaltijden voor te zetten. Maar zijn vrouw hield vol dat ze voor zijn moeder steeds het best mogelijke eten had bereid. Daarop begonnen ze, onder toeziend oog van de zoon, gedrieën aan een maaltijd die zeker goed zou zijn. Maar de moeder klaagde nog steeds dat haar eten vol haar zat. Toen begreep de zoon dat zijn moeder staar had en zorgde dat ze behandeld werd. Toen de kwaal verdwenen was, besefte ze dat wat zij gezien had een niet bestaande verschijning was, die door deze aandoening was ontstaan.’

(uit: ‘Lofdicht op leegte’ van Geshe Rabten)