
Wat wij bestaan noemen, wordt in de Buddhadhamma niet gezien als een vaste grond onder de voeten, maar als bhava (id.)—worden, wording, voortdurend ontstaan. Beweging. Verschijnen en verdwijnen. Bestaan is geen toestand die blijft. Het is een continu proces dat zich telkens opnieuw voordoet wanneer identieke voorwaarden samenkomen.
Dit lichaam, deze gedachte, dit gevoel—ze ontstaan (uppāda; utpāda)wanneer oorzaken en voorwaarden zich verenigen, ze bestaan eventjes (ṭhiti; sthiti), om opnieuw te vergaan (bhaṅga; id.). Niets verschijnt uit zichzelf. Niets blijft bestaan uit eigen kracht. Alles wat zich toont, wordt gedragen door omstandigheden die zelf vergankelijk zijn.
In dit verschijnen is geen kern te vinden die zegt: dit ben ik. Geen blijvende drager, geen bezitter, geen eigenaar. Wat zich ontvouwt, draagt onvermijdelijk de drie kenmerken: vergankelijkheid (anicca; anitya); onvoldaanheid (dukkha; duḥkha); en niet-zelf (anattā; anātman).Een stroom van ervaring, voortdurend veranderend, zonder centrum dat bezit of bestuurt.
Wanneer dit proces wordt gezien als iets dat zekerheid moet bieden, ontstaat spanning. Wanneer het bestaan wordt gepercipieerd alsof het betrouwbaar is, ontstaat lijden. Niet omdat het bestaansproces verkeerd is, maar omdat het wordt begrepen op een manier die het niet kan dragen.
Maar wanneer het bestaan wordt gezien zoals het zich aandient—vergankelijk, kwetsbaar, onpersoonlijk—verzacht de greep. Dan wordt zichtbaar hoe alles ontstaat in afhankelijkheid (paṭicca-samuppāda; pratītya-samutpāda): dit is, omdat dat is. En wanneer dat wegvalt, valt ook dit weg. Zo hoeft het bestaan niet anders te zijn dan het is.
De leer van de Boeddha spreekt niet over het vervolmaken van bhavamaar over het doorzien ervan. Niet over het verbeteren van de stroom, maar over het loslaten ervan. Wat ontstaat, mag ontstaan. Wat verdwijnt, mag verdwijnen—zonder weerstand, zonder toe-eigening (upādāna; id.).
En toch is er dat wat niet geboren wordt (ajāta; id.), dat niet ontstaat (abhūta; id.), dat niet gemaakt is (akata; akṛta), dat niet samengesteld is (asaṅkhata; asaṃskṛta). Niet als een plaats om te betreden, niet als een staat om te bereiken, niet als een ervaring, maar als datgene waardoor bevrijding uit de kringloop van bestaan (saṃsāra; id.) mogelijk is.
Want als er enkel het geborene, het ontstane, het gemaakte, het samengestelde zou zijn, dan was er geen ontsnapping mogelijk uit bhava (id.), geen einde aan het moeten worden. Maar juist omdat het Ongeborene er is, juist omdat het Ongeconditioneerde er is, is er loslaten mogelijk en het volledig tot rust komen van grijpen (upādāna; id.).
Dit behelst geen ‘ander’ bestaan naast het voorwaardelijke, maar het einde van bestaan. Geen verdwijnen, maar het ophouden van ontstaan. Geen leegte die ontbreekt, maar een stilte die niets behoeft.
Daarin is geen richting meer, geen houvast, geen wording. Alleen vrede (santi; śānti), die niet komt en niet gaat.
