
Soms wordt Dhamma benaderd alsof zij vastligt: een leer die kan worden gekend, bewaard en doorgegeven. Maar wie stil blijft zitten en werkelijk kijkt, merkt iets anders op. Dhamma openbaart zich niet als bezit, maar als beweging. Niet als conclusie, maar als een steeds helderder zien.
In die zin is Dhamma geen eindpunt, maar een weg van voortschrijdend inzicht. Wat vandaag wordt doorzien, kan morgen nog verfijnd worden. Niet omdat het eerdere onwaar was, maar omdat zien zich verdiept wanneer vasthouden afneemt. Elk moment van helderheid nodigt uit tot verder loslaten.
Dhamma leeft waar inzicht rijpt. Niet door het verzamelen van begrippen, maar door het wegvallen van misvattingen. Wat aanvankelijk wordt herkend als grof verlangen, openbaart zich later als subtiele gehechtheid. Wat eerst wordt gezien als ‘ik’, wordt doorzien als proces. En zelfs dat doorzien wordt uiteindelijk niet meer vastgehouden.
Daarom kan Dhamma niet worden afgesloten, noch definitief vastgelegd. Zij vraagt om trouw aan het zien zelf, niet aan wat ooit werd begrepen. Waar inzicht stolt tot zekerheid, verliest Dhamma haar levend karakter. Waar twijfel wordt verdragen en openheid blijft, verdiept zij zich vanzelf.
Voortschrijdend inzicht vraagt geen haast. Het ontvouwt zich in stilte, in eenvoud, in bereidheid om niet te weten. Het is geen persoonlijke prestatie, maar een geleidelijk wijken van onwetendheid. Steeds opnieuw blijkt: wat werkelijk bevrijdt, wordt niet toegevoegd, maar losgelaten.
Zo wordt Dhamma dienstbaar. Niet door antwoorden te geven, maar door ruimte te scheppen. Niet door richting op te leggen, maar door het zien te verhelderen. Waar inzicht voortschrijdt zonder claim, zonder eindpunt, zonder eigendom, daar leeft Dhamma—stil, eenvoudig, en dienstbaar vrij.
