
Meditatie is nooit een privéaangelegenheid. Wie gaat zitten in stilte, zit niet enkel voor zichzelf. In het ogenschijnlijk terugtrekken uit de wereld wordt iets beoefend dat haar juist opnieuw toekomt.
De meditatiehouding is geen vlucht, maar een open gebaar: een bereidheid om te observeren, te luisteren en te verzachten. Wat zich daarin ontvouwt, is geen bezit, geen verdienste, geen persoonlijke verworvenheid.
In stilte wordt zichtbaar hoe de illusie van het ‘ik’ zich subtiel handhaaft. Zelfs spirituele inspanning kan een vorm van toe-eigening worden: mijn rust, mijn inzicht, mijn vooruitgang.
Beoefening nodigt uit tot het doorzien van die beweging. In het loslaten van toe-eigening (anattā; anātman) wordt duidelijk dat wat helder wordt, nooit exclusief is. Inzicht (paññā; prajñā) is geen persoonlijke prestatie, maar het ontvouwen van wat altijd al beschikbaar was. Echte eenvoud ontstaat wanneer beoefening niet langer iets toevoegt, maar iets teruggeeft.
De vruchten van aandacht (sati; smṛti), gelijkmoedigheid (upekkhā; upekṣā) en niet-hechten (upādāna; id.) vragen geen podium. Ze tonen zich in hoe men aanwezig is, hoe men luistert, hoe men handelt. Dienstbaarheid (sevā; id.) verschijnt niet als een moreel ideaal, maar als de vanzelfsprekende resonantie van een geest die minder rond zichzelf cirkelt.
Wat in meditatie wordt aangeraakt, krijgt pas betekenis wanneer het opnieuw in de wereld wordt gelegd. Niet als leer, niet als overtuiging, maar als houding. Een zacht woord, een open stilte, een handeling zonder bijbedoeling. Zo keert beoefening terug naar waar zij altijd al thuishoorde: midden in het leven, ten dienste van wat zich aandient. In die beweging wordt zichtbaar dat stilte geen vlucht is uit het leven, dat eenvoud geen verlies betekent, en dat dienstbaarheid niet voortkomt uit moeten, maar uit vanzelfsprekendheid.
