
Wanneer de Dhamma spreekt over wezens (paññatti; prajñapti),spreekt zij niet over vaste entiteiten. Niet over een blijvend ‘iets’ of ‘iemand’ die door de tijd reist. Het woord ‘wezens’ behoort tot de taal van het dagelijks gebruik—de conventionele, conceptuele realiteit—niet tot de taal van de ultieme werkelijkheid (paramattha; paramārtha). Het benoemt iets wat functioneert, niet iets wat op zichzelf bestaat.
Een ‘wezen’ is, binnen de Dhamma, een gebeuren. Een samenkomen van lichamelijke en mentale processen waarin ervaren plaatsvindt. Waar voelen is, waar waarnemen is, waar neiging en reactie kunnen ontstaan, daar verschijnt—op conventioneel niveau—wat een ‘wezen’ wordt genoemd. Niet omdat er een kern gevonden wordt, maar omdat lijden (dukkha; duḥkha) zich daar kan tonen.
Afhankelijk ontstaan (paṭicca samuppāda; pratītyasamutpāda) werpt hier licht op. Niet: er is eerst een wezen dat leeft en handelt. Maar: uit onwetendheid (avijjā; avidyā) ontstaan formaties en neigingen(saṅkhārā; saṃskāra); uit deze neigingen ontstaat bewustzijn(viññāṇa; vijñāna); dat zich verbindt tot lichaam en geest (nāma-rūpa; id.). Van daaruit ontvouwen zich de zes zintuiglijke domeinen(saḷāyatana; ṣaḍāyatana); waar contact (phassa; sparśa) ontstaat; en uit contact gevoel (vedanā; id.). In het voelen ontwaakt verlangen (taṇhā; tṛṣṇā); dat overgaat in hechting (upādāna; id.); waaruit wording (bhava; id.) ontstaat. In die wording verschijnt geboorte (jāti; id.); en met geboorte komen onvermijdelijk veroudering en sterven(jarā-maraṇa; id.); vergezeld van verdriet, klacht en innerlijke benauwdheid.
In deze keten vormt zich het idee van ‘ik’ en de ‘ander’. Niet als een zelfstandige kern, maar als een gedachte die oplicht binnen ervaring. Het ‘wezen’ verschijnt niet als oorzaak, maar als gevolg—als een tijdelijke configuratie van voorwaarden, volledig gedragen door afhankelijk ontstaan.
Zolang deze samenhang niet wordt doorzien, lijkt het alsof er iemand is die geboren wordt en sterft, die handelt en de gevolgen draagt. Wanneer de voorwaarden (paccayā; pratyaya) echter helder worden doorzien, verliest het begrip ‘wezen’ zijn vanzelfsprekendheid. Wat overblijft is een stroom van ontstaan en vergaan, zonder eigenaar, zonder centrum.
In dat doorzien opent zich ook de richting van het Ongeborene. Niet als iets dat door een wezen bereikt wordt, maar als datgene wat niet ontstaat.
Het Ongeborene staat niet tegenover de wereld van wezens, maar toont zich wanneer het mechanisme van afhankelijk ontstaan stilvalt. Wanneer onwetendheid (avijjā; avidyā) niet langer gevoed wordt, wanneer hechting (upādāna; id.) loslaat, wanneer worden (bhava; id.) geen grond meer vindt.
Daar waar niets meer ontstaat, verschijnt ook geen ‘wezen’. Niet omdat het ontkend wordt, maar omdat de voorwaarden er niet meer zijn. Wat geboren wordt, behoort tot het geconditioneerde. Wat niet geboren wordt, kent geen vorm, geen naam, geen drager. Dit is het Ongeborene (ajāta; id.); het Doodloze (amata; amṛta); het Ongeconditioneerde (asaṅkhata; asaṃskṛta).
Zo wordt duidelijk: de Dhamma spreekt over wezens uit mededogen (karuṇā; id.), niet uit metafysica. Om lijden te benoemen waar het verschijnt. Maar zij wijst verder, voorbij het idee van een drager van dat lijden, naar dat wat nooit geboren werd en nooit sterft.
In de stilte van dit inzicht blijft dus geen ‘wezen’ achter. Alleen helderheid. Inzicht.
