NIEMAND WORDT ALS BOEDDHA GEBOREN. ZELFS DE BOEDDHA NIET

Dit eenvoudige gegeven raakt iets wezenlijks aan. Niet als een historische stelling, niet als een biografisch detail, maar als een stille aanwijzing naar de aard van het pad zelf. Het bevrijdende zien, paññā (prajñā), ontstaat niet uit afkomst, niet uit bijzondere aanleg, niet uit een vooraf vastgelegde bestemming. Het ontvouwt zich binnen de bedding van menselijke kwetsbaarheid, vergissing, zoeken en geleidelijk rijpen.

Ook het leven dat later als ‘de Boeddha’ werd aangeduid, begon als een bestaan van verlangen (taṇhā; tṛṣṇā), onvoldaanheid, onvrede (dukkha; duḥkha) en verwarring (avijjā; avidyā). Niet als tekort, maar als uitgangspunt. Niet als obstakel, maar als het veld waarin inzicht mogelijk wordt. Grootheid verschijnt hier niet als status, maar als radicale beschikbaarheid voor het zien.

In de overlevering wordt Siddhattha Gotama ook een mahāpurisagenoemd: een groot mens, iemand bij wie de voorwaarden voor ontwaken uitzonderlijk rijp waren. Niet in de zin van een aangeboren verhevenheid, niet als drager van een verborgen goddelijke kern, maar als uitdrukking van een lange rijping van inzicht, ethische verfijning en groeiende innerlijke ontvankelijkheid.

Dit zegt niets over een vooraf vastliggende bestemming. Het wijst slechts op de diepte van de bedding waarin dit leven zich ontvouwde. Ook hier geen breuk met menselijkheid, maar een ver doorgedreven belichaming ervan. 

In die zin staat de Boeddha niet boven de mens, maar midden in het menselijke bestaan. Niet als uitzondering op het voorwaardelijke bestaan (paṭicca samuppāda; pratītyasamutpāda), maar als iemand die haar volledig heeft doorzien.

Misschien raakt dit aan de meest stille betekenis van het woord ‘Boeddha’: niet als titel, niet als identiteit, maar als aanduiding van ontwaken, ‘bodhi’. Ontwaken niet tot iets nieuws, maar tot wat nooit afwezig was. Ontwaken niet als prestatie, maar als het wegvallen van misvatting (micchā-diṭṭhi; mithyā-dṛṣṭi).

Wie dit hoort, kan geneigd zijn te denken dat de Boeddha dan toch iets onbereikbaars was, of dat hij meer bijzonder was dan wij. Maar de beweging van de Dhamma wijst in een andere richting.

Niet: hij was uitzonderlijk. Maar: hij heeft niets vastgehouden. Niet: hij bezat iets dat wij missen. Maar: hij liet los wat wij blijven vasthouden. Niet: hij werd iets anders. Maar: hij zag wat geen vaste kern heeft, anattā (anātman).

In deze omkering wordt iets eenvoudigs zichtbaar. Het pad is geen opstapeling van kwaliteiten. Het is een proces van ontlediging. Geen toevoegen, maar laten vallen. Geen worden, maar het doorzien en loslaten van saṅkhāra (saṃskāra), van geconditioneerde patronen.

Daarom wordt niemand als Boeddha geboren. En daarom kan niemand tot Boeddha worden gemaakt.

Wat zich ontvouwt, is geen nieuwe identiteit. Het is het stilvallen van de neiging om iemand te moeten zijn.

Wanneer dit wordt doorzien, verliest het idee van ‘verlichting’ zijn glans en zijn gewicht. Het wordt eenvoudiger. Menselijker. Meer geaard. Niet als eindpunt. Niet als bekroning. Niet als bezit.

Maar als het geleidelijk uitdoven van verwarring. Als een zachte toenadering tot nibbāna (nirvāṇa), niet als object, maar als het Ongeconditioneerde (asaṅkhata; asaṃskṛta).

In stilte-eenvoud-dienstbaarheid krijgt dit een tastbare vorm.

Stilte is niet de afwezigheid van geluid, maar het zwijgen van de voortdurende innerlijke commentaarstroom. Het zwijgen van de stem die zegt: ik ben dit, ik moet dat, ik hoor zo te zijn.

Eenvoud is geen ascetisch ideaal, maar het niet ingewikkeld maken van wat al helder is. Gevoel is gevoel. Gedachte is gedachte. Ervaring is ervaring. Geen eigenaar nodig.

Dienstbaarheid is geen morele verdienste, maar de natuurlijke uitdrukking van een hart dat minder om zichzelf cirkelt. Wanneer het ‘ik-maken’ (ahaṅkāra; ahaṃkāra) verzacht, wordt zorgzaamheid vanzelfsprekender.

Zo beschouwd, is het leven van de Boeddha geen mythische afstand, maar een spiegel. Niet om te imiteren, niet om te idealiseren, maar om te herkennen. Niet: zo moet ik worden. Maar: zo kan loslaten eruitzien.

En misschien is dat wel de meest bevrijdende boodschap: dat ontwaken geen breuk is met menselijkheid, maar de volledige doorlichting ervan. Dat het pad niet begint bij volmaaktheid, maar bij eerlijk kijken, yathābhūta ñāṇadassana (yathābhūta-jñānadarśana). Dat niemand als Boeddha geboren wordt, omdat niemand als iets vasts geboren wordt.

Wat geboren wordt, is ervaring. Wat verschijnt, is proces. Wat gezien kan worden, is vergankelijkheid, anicca (anitya). En precies daarin ligt de opening. Niet spectaculair. Niet verheven. Niet luid. Maar stil. Eenvoudig. Dienend.

Zoals een hart dat niets meer hoeft te verdedigen. Zoals een geest die niet langer op zoek is naar een bijzondere status. Zoals een mens die het gewone leven volledig doorziet.

Niemand wordt als Boeddha geboren. En dat is geen tekort. Het is de uitnodiging.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.