
Het woord ‘ik’ (asmi-māna; id.) (*) is het meest intieme en tegelijk het meest misleidende. Het verschijnt niet als concept, maar als gevoel van nabijheid: dit overkomt mij, ik ervaar, ik kies. Het ik is geen benoeming van een entiteit, maar een moment van toeëigening binnen ervaring.
In de Dhamma wordt het ik niet aangewezen als iets dat bestaat, noch als iets dat moet worden vernietigd. Het wordt gezien als een gedachte die oplicht waar gevoel en hechting samenkomen. Waar ervaring persoonlijk wordt gemaakt, verschijnt het ik—tijdelijk, telkens opnieuw.
Anattā (anātman) werpt hier haar stil licht. Wat als ‘ik’ verschijnt, blijkt geen drager te hebben. Er is voelen, maar niemand die voelt. Er is waarnemen, maar geen waarnemer buiten het waarnemen. Er is handelen, maar geen doener los van het handelen.
Wanneer dit helder wordt gezien, verdwijnt het ik niet door inspanning. Het lost op door inzicht. Niet omdat het fout was, maar omdat het nooit méér was dan een beweging in de geest. Een gedachte zonder eigenaar.
Zo wordt het ik transparant. Niet ontkend, niet bevestigd. Het verliest zijn gewicht, zijn centrum, zijn claim. Wat overblijft is ervaring zonder toeëigening en een vrijheid die niet persoonlijk is.
_________
(*) Met ‘ik’ wordt in de Dhamma geen entiteit bedoeld, maar een moment van toeëigening binnen ervaring. Dit wordt aangeduid als ahaṅkāra (ik-vorming), mamaṅkāra (toeëigening) en, in zijn meest subtiele vorm, asmi-māna—de neiging ‘ik ben’.
