
Er zijn woorden die naar de maan wijzen, maar zelf niet de maan zijn. “De Boeddha” is zo’n woord.
Voor sommigen is hij een historische figuur, een mens die leefde, sprak en stierf. Voor anderen is hij een verheven wezen, bijna een god. En weer anderen zien in hem een symbool, een idee dat richting geeft aan het hart.
Maar wat wij ook denken dat de Boeddha is, dat denken zelf is een beweging van de geest. Een vorm. Een concept. De geest maakt beelden. Dat is haar aard. Zij maakt ook een beeld van de Boeddha.
Zelfs het beeld van de Tathāgata valt onder mentale formaties(saṅkhāra; saṃskāra). De Boeddha zelf zei in de Alagaddūpama Sutta dat de Dhamma een vlot is, niet iets om vast te houden—laat staan zijn persoon.
De Boeddha verwees niet naar een beeld, niet naar een idee, niet naar een concept dat vastgehouden moest worden.
Hij verwees naar zien. Naar direct kennen. Naar datgene wat zichtbaar wordt wanneer de geest niets meer toevoegt.
In dat zien is er geen Boeddha als concept. Alleen ontwaken. Niet van iemand. Niet voor iemand. Alleen het einde van verwarring, van onwetendheid.
In die betekenis is “de Boeddha” geen concept dat begrepen moet worden, maar een naam die verwijst naar het wegvallen van illusie. Zoals stilte geen ding is, maar het wegvallen van geluid.
En wie die stilte herkent, hoeft haar geen naam meer te geven.
