BETEKENIS ZONDER KERN

Alles wat verschijnt heeft iets onweerstaanbaars. Het trekt de geest (citta; id.) naar zich toe, alsof het iets bevat dat behouden kan worden. Alsof het een vaste kern draagt. Alsof het meer is dan een tijdelijke vorm.

Maar wie stil genoeg kijkt, ziet iets anders. Geen kern. Geen bezit. Geen stabiliteit. Alleen verschijnen en verdwijnen, oplichten en uitdoven. Niet als theorie, maar als ervaring. Het is precies dat wat de Dhamma steeds opnieuw laat zien: dit is vergankelijkheid (anicca; anitya). Dit is onbeheersbaarheid. Dit is zelfloosheid (anattā; anātman).

En toch… zijn deze verschijnselen niet zinloos.

Hun betekenis ligt niet in wat ze beloven, maar in wat ze onthullen. Ze zijn betekenisvol omdat ze ons tonen dat ze ontstaan (uppāda; utpāda) en vergaan (vaya; vyaya). Alsof elk verschijnsel een spiegel is: niet om ons een identiteit terug te geven, maar om ons te tonen dat er nergens een kern te vinden is. Het weerspiegelt enkel de stroom van voorwaarden, het spel van verschijnen en verdwijnen—en precies daarin ligt zijn stille waarheid.

Wanneer dit wordt gezien, verschuift er iets in de geest. Dan hoeft men het leven niet langer vast te houden om het te laten tellen. Dan wordt zelfs het vluchtige waardevol, juist doordat het vluchtig is. Niet omdat het “iets moet worden”, maar omdat het ons helpt doorzien dat niets iets hoeft te worden.

En dat is dienstbaarheid: de werkelijkheid niet gebruiken om jezelf te bevestigen, maar haar laten tonen wat waar is. Elk verschijnsel, hoe klein ook, draagt dezelfde stille aanwijzing van de Boeddha in zich: ❛ Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf ❜ (Saṁyutta Nikāya, 22.59).

In dat heldere zien ontvouwt zich bevrijding.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.