
Observeer de geest in de geest (cittānupassanā; cittānupaśyanā). En blijf, als een stille ankerplaats, bewust in- en uitademen: ademhaling (ānāpānasati; ānāpānasmṛti). Niet om iets te bereiken, maar om te zien wat er reeds is. Wees bewust van de geest terwijl je inademt… wees bewust van de geest terwijl je uitademt… en wees vooral bewust van de geestestoestand waarin de geest zich nu bevindt.
Is de geest begerig (lobha; id.), of boosaardig (dosa; dveṣa), of onwetend (moha; id.)? Is hij kalm of gespannen, helder of beneveld? Is er verstrooidheid, of is de geest gecentreerd? Soms is er genoeg ruimte om de materiële jhāna’s (rūpa-jhāna; rūpa-dhyāna) te benaderen; soms is er een verhevenheid die zelfs de vormloze sferen (arūpa; id.) lijkt te kunnen aanraken. En soms is er gewoon de eenvoudige vaststelling: vandaag is de geest nog niet zover—en ook dát is een observatie die gezien mag worden.
Zie hoe de geest reageert op onrust. Zie de onvoorspelbaarheid van de geest in relaties, zijn plots omslaan, zijn subtiele kwetsbaarheid. Zie hoe hij bijna automatisch neigt naar identificatie: identificatie met gedachten, met vormen en voorwerpen, met gewaarwordingen, met gevoelens, met situaties. En precies daar, in die reflex tot samenklonteren rond een verhaal, begint het lijden zich telkens opnieuw te vormen.
Maar zie ook hoe de geest kan rusten in liefdevolle vriendelijkheid (mettā; maitrī), in mededogen (karuṇā; id.), in medevreugde (muditā; id.), en in gelijkmoedigheid (upekkhā; upekṣā). Zie hoe deze verblijfplaatsen van het hart—brahmavihāra’s (id.)—geen technieken zijn om jezelf te verbeteren, maar natuurlijke vormen van innerlijke ruimte wanneer de drang tot beheersen afneemt.
Langzaam wordt helder: vrede verschijnt waar de geest niet langer vecht. Wanneer de geest tot rust komt, wordt hij evenwichtig, eenvoudig, doorzichtig. En in die doorzichtigheid kan inzicht rijpen—niet als conclusie, maar als stille herkenning. Dat is wat men satipaṭṭhāna (smṛtyupasthāna) van de geest noemt: de grondslag van opmerkzaamheid (sati; smṛti) die zich richt op de geest, het nuchter zien van wat de geest de facto is, zonder verfraaiing en zonder veroordeling.
In het begrijpen van het vergankelijke (anicca; anitya), het onbevredigende (dukkha; duḥkha) en het zelfloze (anattā; anātman)van de geest verschuilt zich bevrijding. Niet omdat de geest ‘slecht’ zou zijn, maar omdat hij geen kern bezit die blijvend, controleerbaar of werkelijk ‘van mij’ is. Het diepe inzicht groeit dat deze geest leeg is aan vastheid: leegte (suññatā; śūnyatā)—leeg aan zelf, leeg aan ‘ik’.
En wanneer dit inzicht zich verdiept, verliest het geloof in persoonlijkheid (sakkāya-diṭṭhi; satkāya-dṛṣṭi) zijn grond. Ook gehechtheid aan regels en ritueel (sīlabbata-parāmāsa; śīlavrata-parāmarśa) en sceptische twijfel (vicikicchā; vicikitsā) beginnen hun greep te verliezen.
Zo wordt de stroom niet betreden door wilskracht, door beheersing, door te streven naar resultaat, maar door het stille uiteenvallen van wat ooit vanzelfsprekend leek: ‘dit ben ik’.
