IDENTIFICATIE DRAAGT ALTIJD DE KIEM VAN DUKKHA IN ZICH

Dukkha ontstaat niet pas wanneer het leven ’tegenzit’. Dukkha ontstaat veel vroeger—op het moment dat ervaring tot ‘ik’ wordt gemaakt en zich hecht, zich vastklikt, zichzelf een naam geeft. Zodra ervaring niet langer gewoon ervaring is, maar het ‘ik’ moet bevestigen, ‘mij’ moet beschermen, het ‘mijn’ moet verbeteren, verschijnt er spanning.

Identificatie is het subtiele gebaar waarin een verschijnsel wordt toegeëigend. Zo wordt een gedachte mijn gedachte. Een emotie mijn pijn. Een lichaam mijn lichaam. Een rol wordt mijnidentiteit. En zelfs spirituele beoefening kan een bezit worden: mijn pad, mijn inzicht, mijn stilte. Dat moment van toe-eigening lijkt onschuldig, haast vanzelfsprekend. Maar in de Dhamma is het de poort waarlangs dukkha vaak naar binnen komt.

Want wat geïdentificeerd wordt, moet standhouden. Wat ‘ik’ wordt, mag niet veranderen. Wat ‘van mij’ is, mag niet verdwijnen. ‘Mijn’ bezit moet ‘mijn’ bezit blijven. En precies daarin botsen we op de natuurwet van het bestaan: alles wat ontstaat (uppāda; utpāda) is vergankelijk (anicca; anitya).Alles wat samengesteld is (saṅkhata; saṃskṛta) zal uiteenvallen. Als er identificatie is, dan wordt vergankelijkheid ervaren als bedreiging. En uit bedreiging groeit vrees, verzet, controle, vermoeidheid.

Zo wordt dukkha niet veroorzaakt door de wereld, maar door upādāna (id.)—het grijpen, het vasthouden. De wereld beweegt zoals ze beweegt. De stroom verandert zoals een stroom verandert. Maar de geest die zegt: dit ben ik, zet zich vast in wat niet kan blijven. En omdat het niet kan blijven, volgt hieruit onherroepelijk lijden.

Wanneer identificatie wegvalt, valt er iets open. Dan is er nog steeds ervaring—klank, licht, lichaam, denken—maar zonder eigenaar. Zonder bezitter. Zonder centrum dat alles moet dragen. Dan verschijnt er eenvoud. Ruimte. Stilte.

En uit die stilte ontstaat dienstbaarheid: niet als opdracht, maar als natuurlijke houding. Een hart dat niets hoeft te verdedigen, kan zacht worden. Een geest die niets hoeft te zijn, kan helder zien. Wanneer de dwang om ‘iemand te zijn’ wegvalt, wordt dienstbaarheid een natuurlijke beweging.

Identificatie draagt altijd de kiem van dukkha in zich. Niet als straf, maar als aanwijzing: hier wordt iets vastgehouden dat niet vast te houden is. Hier wordt een illusie tot werkelijkheid gemaakt.

En elke keer dat je het loslaat—al is het maar één adem—proef je nissaraṇa (id.): de ontsnapping uit de knoop van het ‘ik’, ‘mij’ en ‘mijn’. Wat zich dan ontvouwt, is datgene wat niet hoeft te ‘worden’ (bhava; id.). Het Ongeborene. Het Ongeconditioneerde. Nibbāna (nirvāṇa).

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.