MICCHĀ DIṬṬHĪ

Micchā diṭṭhī betekent letterlijk ‘verkeerde visie’ of ‘onjuiste zienswijze’. In een boeddhistische context verwijst dit naar een fundamenteel misverstand over de aard van de werkelijkheid. Het is een diepgewortelde verkeerde perceptie die de beoefenaar vasthoudt aan illusoire overtuigingen over het zelf, het leven, de dood en de wereld als een op zichzelf staande, vaststaande realiteit. Dit verkeerde inzicht belemmert een helder begrip van de onderliggende principes die het bestaan kenmerken, zoals vergankelijkheid (anicca), onvoldaanheid/lijden (dukkha) en het ontbreken van een inherent, zelfstandig zelf(anattā).

Het misverstand van micchā diṭṭhī is niet slechts een oppervlakkige fout in denken, maar een diepgewortelde conditionering die door de kracht van gewoonte en onwetendheid (avijjā) in stand wordt gehouden. Wanneer iemand de wereld beschouwt door de lens van micchā diṭṭhī, worden de ervaringen van het leven vervormd door gehechtheid (upādāna) en verlangen (taṇhā), waardoor men blijft vasthouden aan concepten als een blijvend zelf, blijvende gelukzaligheid of de mogelijkheid van permanente voldoening in vergankelijke verschijnselen.

Volgens de leer van de Boeddha is deze verkeerde visie de wortel van dukkha, oftewel het inherente lijden dat het bestaan kenmerkt. Doordat men vasthoudt aan misleidende overtuigingen en verkeerde interpretaties van de werkelijkheid, blijft men gevangen in een cyclus van verwachtingen, teleurstellingen en voortdurende conditionering die het lijden vergroot. Zo weerhoudt micchā diṭṭhī de beoefenaar ervan om de vergankelijkheid en interafhankelijkheid van alle verschijnselen werkelijk te zien en te doorgronden.

Binnen het Achtvoudige Pad (ariya aṭṭhaṅgika magga) speelt het ontwikkelen van sammā diṭṭhī(juiste visie) een cruciale rol. Dit is niet enkel een intellectueel begrip, maar een diepgaand inzicht dat de Vier Edele Waarheden op een directe manier doorgrondt. Wie sammā diṭṭhīontwikkelt, leert de realiteit te zien zoals die werkelijk is—zonder de vervorming van begeerte, afkeer of misvattingen over een blijvend, onafhankelijk zelf.

Het loslaten van micchā diṭṭhī is een proces dat niet alleen bestaat uit studie en reflectie, maar vooral uit een voortdurende toepassing van meditatie, ethisch handelen en aandachtige introspectie. Pas wanneer de beoefenaar de neiging tot misvattingen loslaat en rechtstreeks ziet hoe alle verschijnselen afhankelijk ontstaan (paṭicca-samuppāda), kan het proces van bevrijding werkelijk beginnen. Dit betekent niet dat men blindelings een andere geloofsovertuiging aanneemt, maar dat men door eigen ervaring ontdekt hoe verkeerde visie het lijden bestendigt en hoe juiste visie de weg opent naar bevrijding.

Wanneer sammā diṭṭhī rijpt, wordt de geest helder en ongehinderd door misleidende projecties. Het leidt tot een innerlijke vrijheid waarin de werkelijkheid wordt aanvaard zoals die is, zonder de behoefte om deze te controleren, te manipuleren of te vervormen. Dit is de poort naar ontwaken (bodhi), waarin de ketens van onwetendheid uiteenvallen en de geest bevrijd wordt van de illusies die hem voorheen gevangen hielden.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.