
Soms voel ik schaamte. Niet om wat ooit werd aangereikt, maar om wat wij er soms van maken. Het is geen felle emotie, eerder een gevoel, een stille gewaarwording, een zachte droefheid die zich aandient wanneer de Dhamma wordt uitgesproken alsof zij vastligt, alsof zij verdedigd moet worden, alsof zij bezit is.
Dan lijkt iets wat uitnodigde tot bevrijding te verharden tot een standpunt. Wat ooit wees naar zien, wordt een overtuiging. Wat ruimte bood, wordt iets dat bewaakt moet worden. Die beweging raakt me, niet omdat zij fout zou zijn, maar omdat ik erin herken hoe snel levend inzicht zo gemakkelijk kan verstarren tot vorm.
En ik zie het ook in mezelf. Ook ik verlang soms nog naar houvast. Ook ik wil begrijpen, vasthouden, bevestigen. Ook ik kan de leegte liever vullen dan haar werkelijk laten spreken. Misschien is dat de kern van mijn schaamte: niet zozeer dat de Dhamma star en dogmatisch verkondigd wordt, maar dat ik zie hoe gemakkelijk wij de stilte verruilen voor zekerheid.
Toch dringt zich iets anders op wanneer ik erbij stilsta. De Dhamma lijkt zich niet te laten vastleggen. Zij verliest zichzelf niet wanneer wij haar inkaderen. Zij wacht geduldig, zonder aandringen, zonder verzet. Wat wáár is, hoeft niet verdedigd te worden; wat bevrijdt, laat zich niet opsluiten in woorden of vormen, in oordelen en veroordelen.
Misschien is trouw aan datgene wat ooit naar bevrijding gewezen heeft dan niet het bewaken van een leer, maar het telkens opnieuw durven loslaten ervan. Niet uit onverschilligheid, maar uit een diep vertrouwen in wat zichtbaar wordt wanneer niets meer vastgehouden wordt. In eenvoud. In niet-weten. In dienstbaarheid aan wat zich aandient, hier en nu.
En wanneer ik daar even in kan verblijven, verzacht dit mijn schaamte. Niet omdat alles opgelost is, maar omdat niets meer verdedigd hoeft te worden. In deze vrede bevrijd ik mezelf.
