TAṆHĀ – HET WEEFSEL VAN VERLANGEN

De Boeddha leert dat taṇhā, de drijvende kracht achter saṃsāra, de eindeloze cyclus van geboorte en dood in stand houdt. Wie zich verliest in verlangen en in de zoektocht naar ‘worden’ (bhava), blijft gevangen in de ketens van Māra. Pas wanneer verlangen verdwijnt, wanneer de geest zich bevrijdt van taṇhā, wordt de Andere Oever bereikt.

Taṇhā moet in de breedste zin begrepen worden. Het omvat niet alleen het hunkeren naar zintuiglijke bevrediging (kāma-taṇhā), maar ook het verlangen naar bestaan (bhava-taṇhā) en het verlangen naar niet-bestaan (vibhava-taṇhā).

In essentie is het de voortdurende drang om het heden—het NU—te overstijgen, in de hoop dat elders of later een oplossing voor onvoldaanheid, voor lijden (dukkha), ligt. Maar precies deze illusoire hoop, deze begoochelende projectie naar de toekomst toe, houdt de cyclus in stand.

Toch is taṇhā niet alleen een actieve kracht die in het NU gestuurd wordt door verlangen en verwachting. Taṇhā heeft ook een diepere, sluimerende dimensie. Van moment tot moment wordt het gevoed en versterkt, telkens wanneer verlangen de ervaring kleurt.

Al deze opgebouwde neigingen—de anusayā’s, de latente tendensen—blijven op de achtergrond aanwezig. Zelfs als er geen actief verlangen is, blijven deze neigingen als verborgen draden het weefsel van ervaring vormen. Ze werken subtiel op de achtergrond, sturend in de richting van nieuw verlangen en gehechtheid. Zelfs wie bewusteloos sterft, draagt taṇhā met zich mee; het is deze onderliggende drang die wedergeboorte—het ‘worden’—aandrijft.

Taṇhā ‘weeft’ gewaar zijn, objecten, emoties, associaties, herinneringen, het ‘ik’—alles wordt met elkaar verknoopt tot een tapijt van ervaring. Taṇhā is als een tapijtenwever die onafgebroken werkt. Het lijkt een hechte en vanzelfsprekende constructie, maar in werkelijkheid is het niets meer dan een gewoontepatroon (een conditionering) dat zichzelf blijft herhalen.

Dit tapijt hoeft niet geweven te worden.

Wie de werking van taṇhā doorziet, wie ophoudt het te voeden (upādhi), begint de losse draden te herkennen. Het tapijt verliest zijn samenhang. Wat overblijft is een openheid waarin niets meer vastgeklampt wordt, waarin geen nieuwe gewoontepatronen meer ontstaan. Dit is geen leegte in nihilistische zin, maar de bevrijding van de geest uit zijn zelfgemaakte kooi. In deze bevrijding wordt gewaar zijn helder en ongeconditioneerd, niet langer gestuurd door neiging of verwachting.

Wanneer de tapijtenwever doorziet dat zijn werk niet nodig is, valt het weefgetouw stil, en blijft er geen tapijt meer over.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.