VERLICHTING ALS HET LOSLATEN VAN HOOP

We denken soms dat bevrijding een bestemming is. Iets waar we naartoe groeien met discipline, met volharding, met steeds meer oefening, tot we op een dag ‘aankomen’. Alsof verlichting een trofee is die je na lang zoeken eindelijk kan vastnemen. 

Maar in de stilte van de beoefening blijkt het vaak anders: wat we ‘verlichting’ noemen, verschijnt niet als een object dat men kan verwerven. 

In de Dhamma wordt eerder zichtbaar dat het lijden (dukkha; duḥkha) niet verdwijnt omdat de wereld eindelijk wordt zoals wij ze willen, maar omdat het grijpen (upādāna; id.) eindigt. En wat is hopen anders dan een subtiele vorm van grijpen? Een zachte maar hardnekkige spanning in de geest: er moet iets anders komen dan dit. Iets beter, iets zuiverder, vooral iets méér. 

Hopen kan edel lijken, maar in de diepte houdt het ons vaak gevangen in verlangen (taṇhā; tṛṣṇā). Wanneer die hoop ontspant, valt er iets open. Niet omdat we ‘meer’ krijgen, maar omdat we stoppen met vechten tegen wat er is. Dan wordt het leven niet langer een project, maar een ontvouwing. Dat is geen passiviteit, maar wijsheid (paññā; prajñā). Geen berusting, maar helderheid: inzicht. 

En precies daarin kan het pad stil worden: de geest houdt op met marcheren, en leert rusten in het directe. Verlichting is dan niet de kroon op het streven, maar het uitdoven van het innerlijke verzet. Het is het einde van de dorst (taṇhā; tṛṣṇā) naar een andere werkelijkheid. En in dat einde verschijnt eenvoud: dit, zoals het is. Zonder toevoeging. Zonder droom. Zonder strijd.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.