
Zodra waarheid geloof wordt, verliest zij haar onmiddellijke helderheid. Wat hier verdwijnt, is niet waarheid zelf, maar het rechtstreeks zien (yathābhūta-ñāṇadassana; yathābhūta-jñāna-darśana). Waar geloof verschijnt, is er vaak al een subtiele verschuiving merkbaar: van open aanwezigheid naar hechting, toe-eigening (upādāna; id.). Niet omdat geloof onjuist is, maar omdat het ongemerkt kan overgaan in vastgrijpen—het dogmatisch aannemen van iets wat nog niet doorzien is.
De Boeddha nodigt ons steeds opnieuw uit om niet te rusten in overtuigingen of zienswijzen (diṭṭhi; dṛṣṭi). Niet omdat zienswijzen geen functie zouden hebben, maar omdat geen enkele zienswijze het zien zelf kan vervangen. Wat wordt aangenomen, vraagt om bevestiging. Wat wordt doorzien, laat vanzelf los. In dat loslaten ontvouwt zich wijsheid (paññā; prajñā), niet als bezit, maar als helderheid.
In de Kālāma Sutta wijst de Boeddha erop dat waarheid niet gevonden wordt door het aanvaarden van standpunten, hoe verfijnd of aannemelijk ook. Niet door traditie, redenering of loutere overtuiging, maar door het stille weten dat ontstaat wanneer hechting (upādāna) tot rust komt.
Waar waarheid nog geloof vraagt, is zij nog niet doorzien. Waar zij doorzien wordt, verliest geloof zijn functie.
Dit zien is stil. Het overtuigt niet. Het verdedigt niets. Het is geen prestatie, maar een vorm van uitweg en onthechting (nissaraṇa; niḥsaraṇa). In die stilte verdwijnt de afstand tussen weten en zijn—niet omdat er iets bijkomt, maar omdat er niets meer tussen staat. Waarheid is dan niet iets wat men bezit. Zij verschijnt waar het aannemen ophoudt.
Dit zaadje vraagt geen instemming. Geen overtuiging. En geen houvast. Het vraagt enkel ruimte.
