
Er zijn leraars die al dertig jaar lang spreken met dezelfde woorden, dezelfde gebaren, dezelfde intonatie. Wat ooit ontsproot aan levende ervaring, wordt zorgvuldig herhaald. Niet uit onwil, niet uit gebrek aan inzet, maar uit gewoonte. De vorm blijft intact, de inhoud correct, en toch is er iets wat nauwelijks nog beweegt.
De Dhamma is geen verzameling uitspraken die men bewaart of overdraagt als bezit. Zij is dat wat zichtbaar wordt wanneer oorzaken en voorwaarden (paccaya; id.) niet langer tot grijpen leiden. Waar werkelijk inzicht (paññā; prajñā) ontstaat, wordt niets vastgehouden, is er geen hechting. Wanneer spreken echter losraakt van dit proces van loslaten, wordt herhaling een subtiele vorm van gehechtheid (upādāna; id.).
Dit risico manifesteert zich bijzonder scherp waar onderricht ingebed raakt in structuren en organisatievormen. Niet omdat structuur op zich problematisch is, maar omdat elke structuur nood heeft aan herkenbaarheid, continuïteit en herhaalbaarheid. Wat eens uit levend zien is voortgekomen, wordt dan gaandeweg een vorm die moet blijven functioneren. In zo’n context komt de leraar onder druk te staan om de vorm van het onderricht te bewaren, ook wanneer de inhoud zich verder verfijnt of zelfs stilvalt.
Zo wordt vorm belangrijker dan inhoud, en verschuift spreken ongemerkt van dienstbaarheid naar behoud. Dit is geen persoonlijk falen, maar een spanningsveld dat ontstaat wanneer levend inzicht zich moet voegen naar het voortbestaan van een geconditioneerde vorm, waardoor levende Dhamma kan verstollen tot een religieuze vorm die haar bevrijdende kracht verliest.
In zulke situaties kan het onderricht onmerkbaar iets theatrals aannemen. Niet in de zin van bewuste misleiding, maar als het hernemen van een rol die ooit spontaan ontstond. Woorden, gebaren en intonatie worden dan een vertrouwd script, zorgvuldig uitgevoerd, meditatie na meditatie. Wat ooit ontsproot aan direct zien, wordt opgevoerd zoals een toneelstuk dat zijn première al lang voorbij is. De vorm blijft herkenbaar, de tekst correct, maar de ruimte waarin zij ontstond is gesloten.
Wanneer onderricht zo een rol wordt die men blijft vervullen, verschuift spreken van aanwezigheid naar representatie. De leraar belichaamt dan niet langer het loslaten, maar het behoud van een vorm die ooit behulpzaam was. Dit is geen gebrek aan inzet of oprechtheid, maar het subtiele moment waarop levend onderricht verandert in herhaling—zoals een acteur die het stuk perfect beheerst, maar de werkelijkheid waarvoor het ooit geschreven werd niet meer betreedt.
In boeddhistische termen raakt dit aan gehechtheid aan voortbestaan (bhava-taṇhā; bhava-tṛṣṇā) en aan het vasthouden aan vorm en correctheid (sīlabbata-parāmāsa; śīlavrata-parāmarśa), niet als fout, maar als een stille terugkeer van hechten (upādāna; id.).
Dat de woorden juist zijn, volstaat niet. Ook een correcte beschrijving kan verstarren wanneer zij niet langer gedragen wordt door levend zien. De Dhamma veroudert niet, maar zij verstijft wanneer zij niet meer wordt doorleefd. Niet omdat herhaling verkeerd zou zijn, maar omdat inzicht zich kenmerkt door verheldering, niet door bevestiging. Waar werkelijk gezien wordt, verandert het spreken vanzelf. Niet noodzakelijk door nieuwe ideeën, maar door eenvoud. Taal wordt soberder, gebaren zachter, de stem minder overtuigend en meer doorlaatbaar. Zekerheden lossen op. Wat overblijft is een spreken dat niet wil bevestigen, maar dient. Een spreken waarin geen drang meer zit om te onderwijzen.
De grootste vergissing bestaat erin te veronderstellen dat trouw aan de Dhamma samenvalt met onveranderlijkheid. In werkelijkheid vraagt trouw juist om voortdurende ontlediging, ook van het eigen leraarschap. Wat gisteren nog behulpzaam was, kan vandaag een hindernis zijn. Vorm wordt losgelaten wanneer zij haar functie heeft vervuld. Dat is geen verraad aan de Dhamma, maar haar natuurlijke beweging.
Dienstbaarheid vraagt geen vaste vorm, maar aanwezigheid. Geen herhaling, maar ontvankelijkheid. Waar spreken niet langer voortkomt uit direct contact met vergankelijkheid (anicca; id.), onbevredigdheid (dukkha; id.) en niet-zelf (anattā; id.), daar wordt het een echo van het verleden. Levend onderricht daarentegen ontstaat telkens opnieuw, of verdwijnt vanzelf wanneer het niet meer nodig is.
Wanneer woorden niet meer bewegen, is zwijgen geen tekort, maar rijping. Niet als terugtrekking, maar als helderheid. Want de Dhammaleeft niet in wat steeds opnieuw herhaald wordt, maar in wat wegvalt. Soms is het meest dienende onderricht precies datgene wat geen vorm meer aanneemt—stil, eenvoudig, ongeboren (ajāta; id.),ongeconditioneerd (asaṅkhata; asaṃskṛta).
