
In de vroegste sutta’s van de Pāli-canon wordt ontwaken (bodhi; id.)niet voorgesteld als een doel dat bereikt moet worden, noch als een resultaat dat men kan bezitten. Het verwijst naar een helder zien, hier en nu, wanneer onwetendheid (avijjā; avidyā) over de aard van de ervaring wegvalt.
Het Middenpad (majjhimā paṭipadā; madhyamā pratipad) wordt in de sutta’s omschreven als de weg die leidt tot het einde van dukkha (dukkhanirodhagāminī paṭipadā; duḥkhanirodhagāminī pratipad). Die gerichtheid betekent echter niet dat er iets verworven moet worden. Wat beëindigd wordt, is geen tekort aan geluk, maar de begoocheling die de aard van de ervaring verkeerd begrijpt.
Het niet-meer-wedergeboren-worden (apunabbhava; apunarbhava) verschijnt daarbij niet als een na te streven object, maar als het natuurlijke gevolg van het uitdoven van begeerte (taṇhā; tṛṣṇā) en onwetendheid. Wanneer de oorzaken wegvallen, houdt ook het gevolg op.
De vraag naar een ‘ultiem doel’ veronderstelt dat er iemand is die ‘ergens’ moet aankomen, die ‘iets’ moet bereiken. Maar in het licht van anattā (anātman) blijkt er geen blijvende drager, geen ‘ik’ te zijn die iets kan bezitten. Het pad leidt daarom niet naar een eindtoestand die men kan toeëigenen, naar een terminus die men kan vasthouden—het neemt enkel weg wat het zien vertroebelt. Wanneer die versluiering oplost, verdwijnt ook de fixatie op een doel.
Het Middenpad leidt niet ‘nergens naartoe’. Integendeel. Het leidt tot het ophouden van dukkha, niet door iets toe te voegen, maar door het uitdoven van wat lijden voortbrengt. Het belooft geen te verwerven gelukzaligheid en vervalt niet in nihilisme. Het wijst niet op vernietiging van het leven, maar op het doorzien van vergissing.
Wat zuiver gezien wordt, verschijnt als vergankelijk (anicca; anitya),onbevredigend (dukkha; duḥkha) en zonder zelf (anattā; anātman). In dat zien dooft het grijpen. Waar niet langer gegrepen wordt, daar komt dukkha tot rust.
