
Veel beoefenaars raken vroeg of laat verward door een subtiele vraag: als verlangen (taṇhā; tṛṣṇā) de oorzaak is van dukkha, geldt dat dan ook voor het verlangen naar bevrijding?
Op het eerste gezicht lijkt dat zo. Wie bevrijding verlangt, verlangt immers iets wat er nog niet is. En toch maakt de Boeddha een belangrijk onderscheid.
Niet elke beweging van het hart is taṇhā. Er bestaat ook chanda (id.): een heilzame intentie, een oprechte bereidheid om te onderzoeken, te begrijpen en te ontwaken.
Waar taṇhā grijpt, blijft chanda open. Waar taṇhā iets wil bezitten, wil chanda slechts zien.
De beoefening wordt daarom niet gedragen door dorst, maar door kwaliteiten zoals viriya (vīrya) — volhardende energie — en adhiṭṭhāna (adhiṣṭhāna) — vastberadenheid. Deze ontstaan niet uit een tekort dat gevuld moet worden, maar uit een diep vertrouwen in het pad.
Zelfs het verlangen naar bevrijding kan aanvankelijk nog vermengd zijn met taṇhā. Dat is niet ongewoon. Naarmate inzicht zich verdiept, verandert die dorst geleidelijk in een stille toewijding aan het zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn (yathābhūta; id.).
Uiteindelijk wordt zelfs de gehechtheid aan bevrijding losgelaten.
Niet omdat bevrijding onbelangrijk zou zijn, maar omdat ware vrijheid geen bezit is dat verworven kan worden.
Wat overblijft is geen verlangen meer, maar een openheid waarin niets hoeft vastgehouden te worden. Wanneer grijpen, afkeer en worden tot rust komen, ontvouwt zich het Ongeborene (ajāta; id.), dat niet ontstaat en niet vergaat.
