ALLES MAG KOMEN, ALLES MAG GAAN

Dhamma kan gelezen worden als het ritme van de dingen: ontstaan, even aanwezig zijn, en weer verdwijnen.

Niet als een idee. Niet als een theorie. Maar als iets wat telkens opnieuw zichtbaar wordt, zodra de geest stil genoeg wordt om niet langer te vluchten in verhalen.

Alles wat vorm krijgt, draagt reeds vergaan in zich. Alles wat verschijnt, verdwijnt weer. Een gedachte komt op, en lost op. Een gevoel kleurt het hart, en verbleekt. Een ervaring wordt geboren, en sterft weg in dezelfde ademtocht.

De Boeddha wijst niet in de eerste plaats naar een wereld die we moeten begrijpen,maar naar een proces dat we mogen doorzien: het veld van het geconditioneerde (saṅkhata; saṃskṛta), waarin alle verschijnselen (dhammā; dharmā) verschijnen door oorzaken en voorwaarden—paṭicca-samuppāda (pratītya-samutpāda). In dat veld voltrekt zich het eenvoudige, feilloze, en tegelijk onontkoombare patroon van uppāda–vaya: ontstaan en vergaan.

In deze stroom ontvouwt zich het inzicht in vergankelijkheid (anicca; anitya). En met anicca wordt ook dukkha voelbaar: niet als pessimisme, maar als het stille besef dat niets wat komt en gaat ooit werkelijk een veilige thuis kan zijn. En in hetzelfde licht kantelt het perspectief nog dieper: geen zelf (anattā; anātman) dat dit proces bezit, niet ‘iets’ of ‘iemand’ die de stroom beheerst.

Wie langer kijkt, ziet dat zelfs het kijken ontstaat en vergaat. Zelfs de zoeker blijkt een verschijnsel. Zelfs het streven, zelfs de meditatie, zelfs het verlangen naar helderheid: het komt op en het dooft uit.

Hier raakt de Dhamma iets uiterst eenvoudigs. Niet door iets toe te voegen, maar door het wegnemen van wat we onbewust, maar illusoir, blijven toevoegen: het idee dat er iets vast moet zijn, dat er iets behouden moet worden, dat er iets moet worden.

En toch is de Dhamma meer dan de beschrijving van deze stroom. Ze is een richtingaanwijzer naar dat wat niet in de stroom ligt. Want tegenover het geconditioneerde staat het ongeconditioneerde: asaṅkhata (asaṃskṛta). Dat wat niet gemaakt is. Dat wat niet samengesteld is. Dat wat niet ontstaat, en dus ook niet vergaat: nibbāna (nirvāṇa).

Nibbāna is niet het mooiste moment in het proces. Niet de piek van een ervaring. Niet de overwinning van een ‘ik’. Maar het uitdoven van de misvatting (micchā diṭṭhī; mithyā dṛṣṭi) dat er iets vastgehouden moet worden. Dit is het einde van verlangen (taṇhā; tṛṣṇā), de dorst die het worden (bhava; id.) aandrijft. Het wegvallen van de reflex om in de stroom een grond te blijven zoeken.

Wanneer deze dorst stilvalt, wordt het leven niet kleiner. Integendeel. Het wordt eenvoudiger. Niet omdat men minder ziet, maar omdat men niet meer hoeft te grijpen.

En precies daar komt het devies tot leven: stilte–eenvoud–dienstbaarheid. Stilte, omdat de geest niet langer lawaai hoeft te maken om zichzelf te bevestigen. Eenvoud, omdat het dragen van het bestaan niet meer in concepten gebeurt, maar in helder, direct zien. Dienstbaarheid, omdat wie het proces van ontstaan en vergaan doorziet, zachter wordt; minder claimt; minder verdedigt; minder uit is op gelijk, op vorm, op status.

De Dhamma is dan geen systeem meer. Geen identiteit. Geen vlag. Ze wordt een stille manier van aanwezig zijn. Een wakker worden in het midden van de stroom, zonder de drang om hem te stoppen.

Alles mag komen. Alles mag gaan. En wat niet komt, en niet gaat—dat blijft ongezegd, maar niet ongekend.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.