
Wat bedoelen we eigenlijk met alleen maar zitten? Op het eerste gezicht lijkt het eenvoudig: gaan zitten, stil worden, niets doen. Maar zitten is niet enkel een houding. Het is een innerlijke toon, een wijze van aanwezig zijn.
Zitten betekent niet alleen zitten. Zitten betekent ook lopen, werken, eten, spreken en zwijgen. Niet omdat alles letterlijk ‘zitten’ is, maar omdat alles—wanneer het niet langer wordt vastgenomen door begeerte, weerstand of verwarring—kan rusten in dezelfde eenvoudige helderheid.
En ‘alleen maar’? Dat wijst niet op een techniek. Het wijst op de bevrijdende afwezigheid van toevoeging. ‘Alleen maar’ betekent: niets willen worden, niets willen bereiken, niets willen repareren aan dit moment. Het is de terugkeer naar een grondtoestand waarin het leven niet langer wordt verdeeld in ‘meditatie’ en ‘geen meditatie’, in ‘heilig’ en ‘gewoon’, in ‘weg’ en ‘doel’.
Hier raakt deze eenvoud aan Udāna 1.10. Wanneer de Boeddha zegt: ❛ In het geziene slechts het geziene. In het gehoorde slechts het gehoorde. In het gedachte slechts het gedachte. In het gekende slechts het gekende. ❜ opent hij geen methode, maar een deur.
Want zodra er slechts zien is, zonder een ziener, slechts horen zonder een hoorder, slechts kennen zonder een kenner, wordt het hele bestaan ‘alleen maar zitten’. Niet omdat alles stil is, maar omdat er niets meer is dat buiten dit moment valt.
Dan valt de gedachte weg dat er iemand is die mediteert. Geen ‘ik’ dat vooruit wil. Geen ‘ik’ dat terug wil. Alleen dit. Eenvoudig. Onmiddellijk.
En daar ontstaat vanzelf wat we niet kunnen forceren: stilte als niet-grijpen, eenvoud als niet-toevoegen, dienstbaarheid als zacht aanwezig zijn zonder claim. Niet als ideaal, maar als natuurlijke uitdrukking van helder zien.
Alles ‘zit’. Zelfs het ‘lopen’. Zelfs het ‘spreken’. Zelfs het ‘zwijgen’. En wanneer niets wordt vastgehouden, blijft alleen over wat altijd al eenvoudig was: in het geziene slechts het geziene—en in dat ‘slechts’ een vrede die niet gemaakt wordt. Nibbāna.
