
Het Ongeborene waarover de Boeddha spreekt, ligt niet verborgen achter iets wat nog bereikt moet worden. Het wordt niet voortgebracht door inspanning, noch geboren uit verfijning. Het is eenvoudigweg dat wat niet ontstaat, niet vergaat, en niet ‘wordt’ (bhava; id.). Het ontvouwt zich als het ‘worden’ uitdooft.
De Vijf Hindernissen behoren tot dat ‘worden’. Zintuiglijk verlangen zoekt vervulling in wat verschijnt. Afkeer verzet zich tegen wat verschijnt. Sloomheid verdicht het ervaren. Rusteloosheid jaagt het uiteen. Twijfel wankelt tussen verschillende mogelijkheden. In elk van deze bewegingen wordt telkens iets geboren: een toestand, een zelfbeeld, een richting, een verhaal.
Zolang deze hindernissen actief zijn, beweegt de geest binnen het domein van het geconditioneerde (saṅkhata; saṃskṛta). Niet omdat dit fout zou zijn, maar omdat zij telkens opnieuw iets voortbrengen. Waar zij echter uitdoven (nirodha; id.)—niet door onderdrukking, maar door helder zien—ontvouwt zich een stilte die niet gemaakt is (akata; akṛta).
In die stilte wordt niets nieuws voortgebracht. Er wordt niets toegevoegd, niets weggenomen. Er is geen verlangen om iets anders te worden. Geen weerstand. Geen verdoving. Geen onrust. Geen twijfel. Wat overblijft is niet een ervaring, maar het einde van het zoeken naar ervaring.
Zo zijn de Vijf Hindernissen geen toegang tot het Ongeborene zolang zij niet doorzien worden; slechts wanneer zij uitdoven in helder zien, tonen zij hun ware aard.
Waar zij uitdoven—niet door wilsintentie (cetanā; id.), maar door inzicht (paññā; prajñā)—wordt zichtbaar wat nooit geboren is en daarom nooit verloren kan gaan.
