
“Er is geen onafhankelijke entiteit.” Met deze woorden wees Jotika (1932-2026) rechtstreeks naar wat in de Dhamma als anattā (anātman) wordt aangeduid.
Wat volgt, is geen herhaling van haar woorden, maar een nadere ontvouwing van wat daarin besloten ligt.
Wat hier wordt aangeraakt, vraagt geen geloof, maar kan zich tonen wanneer aandacht stil en open wordt. Wat gewoonlijk als een ‘ik’ wordt ervaren, blijkt bij nader kijken geen vaste kern te hebben, geen blijvende drager van ervaring.
Lichaam, gevoel, waarneming, intenties en bewustzijn verschijnen en verdwijnen afhankelijk van oorzaken en voorwaarden. Er is slechts dit stille ontvouwen van verschijnselen—zonder iemand die ze draagt, zonder iemand die ze bezit.
Dat wat we ‘zelf’ noemen, blijkt niets anders te zijn dan deze dynamische stroom—samenhangend, functioneel, maar nergens onafhankelijk of op zichzelf bestaand. Er is ervaring, maar geen eigenaar ervan. Er is weten, maar geen afzonderlijke kenner.
Wanneer dit niet enkel begrepen maar doorzien wordt, verzacht het grijpen. Niet omdat iets moet worden losgelaten, maar omdat er niets wordt gevonden dat vastgehouden kan worden. In die helderheid ontvouwt zich een natuurlijke eenvoud—vrij, open, en niet gebonden aan het aanvoelen van een ‘iemand’ die moet worden beschermd of bevestigd.
