
Wanneer de leer van de Boeddha evolueert tot een institutionele religie, kan ze verstarren. Wat ooit helder en direct was, wordt dan soms wollig en omfloerst. Het spontane en vloeibare karakter van de Buddhadhamma maakt plaats voor vormen, structuren en overtuigingen die zich vastzetten.
Het essentiële verschuift naar de achtergrond. Het bijkomstige treedt op de voorgrond. De ornamenten. De buddharūpa.
Toch ligt het gevaar niet in de vorm zelf, maar in het vergeten van haar oorsprong. Wat ooit uit inzicht ontstond, kan tot dogma verharden wanneer het niet langer wordt doorzien.
Waar inzicht levend is, blijft de leer licht en transparant. Waar zij verstijft, verschijnt dogmatiek.
Dogma en inzicht raken elkaar niet—behalve in het moment waarop het ene weer oplost in het andere.
