BEVRIJDING IS WAAR HET ‘IK’ VERDWIJNT

Bevrijding is geen verworvenheid, geen hoogtepunt dat door het “ik” bereikt wordt, geen eindpunt van een inspanning die zichzelf wil voltooien. Het is niet de bekroning van een pad dat door een afzonderlijk iemand wordt afgelegd, maar het stilvallen van precies dat idee.

Wat als dat subtiele verlangen—om te worden (bhava; id.), om iets vast te houden of te bereiken (upādāna; id.)—zelf de beweging is die de sluier in stand houdt? Wat als de zoeker en het gezochte niet twee zijn, maar samen ontstaan in één en dezelfde gedachte?

De geest schept een centrum en een periferie, een “ik” en een wereld daarbuiten, iets dat verlangt en iets dat verlangd wordt. In dat ogenschijnlijk vanzelfsprekende spel van tweedeling ligt de onrust (dukkha; duḥkha) besloten, nog vóór er iets bereikt kan worden.

Wanneer dit doorzien wordt—niet als iets dat opgebouwd wordt, maar als een direct zien (yathā-bhūta; id.) van hoe het zich nu ontvouwt—valt er niets meer te verwezenlijken. Niet omdat alles bereikt is, maar omdat de veronderstelling van iemand die zou kunnen bereiken, wegvalt.

Wat overblijft is geen ervaring van een “ik” dat vrij is, geen toestand die bevestigd of behouden moet worden, maar een eenvoudige openheid waarin geen dualiteit meer verschijnt. Hier eindigt het zoeken. Niet in een overwinning, maar in het verdwijnen van de zoeker zelf.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.