
Verlangen lijkt onschuldig. Het presenteert zich als hoop, als beweging, als vitaliteit. Het fluistert dat vervulling mogelijk is, dat het leven vollediger wordt door toevoeging. Maar wie aandachtig kijkt, ziet dat verlangen nooit tot rust komt. Het leeft niet van vervulling, maar van voortzetting.
Verlangen (taṇhā; S. tṛṣṇā) wil meer dan wat is. Het wijst steeds voorbij dit moment. En precies daarin zet het iets in beweging wat nauwelijks wordt opgemerkt: het brengt worden voort.
Dit worden—bhava (id.)—is geen zichtbaar gebeuren. Het is een innerlijke dynamiek. Een subtiele drang om iemand te zijn, iets te worden, ergens aan te komen. Bhava is de motor achter identiteit, toekomst en verwachting. Het is het voortdurend herscheppen van een ‘ik’ dat nog niet af is.
Waar worden is, volgt geboorte. Niet noodzakelijk als biologisch feit, maar als existentieel proces. Elk moment waarin het ‘ik’ opnieuw vorm krijgt, waarin een positie wordt ingenomen, waarin een verhaal wordt bevestigd, is een geboorte. Zo worden we voortdurend geboren—in rollen, overtuigingen, verlangens, hoop, verhalen en drama’s.
En wat geboren wordt, moet sterven. Dit sterven (maraṇa; id.)voltrekt zich telkens wanneer we dachten dat we waren, verdwijnt: wanneer een verlangen uitdooft, een identiteit wankelt, een verwachting instort. Soms subtiel, soms schokkend. Maar altijd onvermijdelijk.
Zo blijkt lijden (dukkha; duḥkha) geen losstaand probleem, geen fout in het systeem. Het is de natuurlijke echo van geboorte. Niet de dood is de kern van het probleem, maar het steeds opnieuw verschijnen van iets dat kan verdwijnen.
Zolang verlangen het worden voedt, blijft deze keten intact. Niet uit straf, niet uit onwetendheid alleen, maar uit niet-doorzien. Het mechanisme draait door zolang het niet werkelijk gezien wordt.
Wanneer dit wél wordt gezien, gebeurt er iets wezenlijks. Niet door ingrijpen, maar door inzicht. Er wordt herkend dat verlangen geen vervulling draagt. Dat worden geen rust kent. Dat geboorte altijd sterven meebrengt.
In dat zien ontspant zich de keten.
Niet door haar te breken, maar doordat zij haar vanzelfsprekendheid verliest. Verlangen hoeft niet bestreden te worden. Het dooft uit wanneer het niet langer geloofd wordt. Wanneer het niet meer gevolgd wordt.
Met het uitdoven van verlangen verliest bhava zijn voedingsbodem, zijn dragend substraat (upadhi; upādhi) En waar worden tot rust komt, daar is geen geboorte. En waar geen geboorte is, daar is geen sterven. En waar geen sterven is, daar verliest lijden zijn grond.
Dit is geen toestand. Geen ervaring. Geen nieuwe vorm van bestaan. Het is het wegvallen van de noodzaak tot bestaan zoals we het kenden.
De Boeddha noemde dit bevrijding (vimutti; vimukti). Niet als iets dat verschijnt, maar als iets dat ophoudt. Niet als verwerving, maar als loslaten. Niet als hitte, maar als koelte—sitibhāva (śītibhāva).
Hier raakt de keten van afhankelijk ontstaan het Ongeborene. Niet als tegenpool van het leven, maar als het einde van het moeten verschijnen. Het Ongeborene is niet wat volgt na de keten, maar wat zich spontaan ontvouwt wanneer de keten tot rust komt—nibbana (nirvāṇa).
