ER IS GEEN ONAFHANKELIJKE ENTITEIT

Wat verschijnt, verschijnt niet op zichzelf. Geen vorm, geen gedachte, geen gevoel staat los van voorwaarden. Wat wij ervaren als een ‘ding’, een ‘ik’, een ‘ander’, is steeds een samenkomen van oorzaken, van omstandigheden, van relaties die elkaar tijdelijk schragen.

Wanneer dit gezien wordt, verdwijnt niet de wereld, maar wel de veronderstelling van afzonderlijkheid. Wat overblijft is een fijngevoelige helderheid waarin alles verschijnt mét alles. Niet als bezit, niet als identiteit, maar als gebeuren.

Een lichaam is geen vaste entiteit. Het is adem, warmte, voeding, aarde, beweging. Een gedachte is geen vaste entiteit. Zij is herinnering, prikkel, conditionering, taal. Een emotie is geen vaste entiteit. Zij is contact, verwachting, neiging, voorbijgaan.

Zelfs dat wat wij ‘bewustzijn’ (viññāṇa; vijñāna) noemen, staat niet afzonderlijk. Het verschijnt samen met wat gekend is. Zonder object geen ervaring—en zonder ervaring geen gekend object. Er is geen kern die dit alles draagt—alleen een voortdurende wederkerigheid van verschijnen.

Wanneer dit werkelijk wordt doorzien, valt ook het idee weg van een op zichzelf bestaande oorsprong. Niet uit ontkenning, niet uit afkeer, maar uit hetzelfde stille inzicht. Wat men ‘god’ noemt, kan niet buiten dit verschijnen worden geplaatst zonder opnieuw een onafhankelijke entiteit te veronderstellen.

Zodra god gedacht wordt als een ‘zijnde’ naast of boven de wereld—als oorzaak, grond of laatste drager—verschijnt hij binnen hetzelfde veld van voorwaarden: gevormd door taal, verwachting, cultuur, verlangen. Ook dit beeld verschijnt en verdwijnt.

Dit zien ontneemt niets aan het heilige, aan het ‘hele’. Het ontdoet het slechts van separaatheid. Wat blijft, is geen god als vaste entiteit, geen schepper tegenover het geschapene, maar een onbegrensde samenhang waarin niets losstaat en niets wordt uitgesloten.

Dit is geen filosofische conclusie, geen metafysica, maar een verschuiving in ervaring, in perspectief. Wat eerst als vast werd ervaren, wordt transparant. Doorzichtig. Wat eerst als ‘van mij’ of ‘boven mij’ werd gezien, blijkt nooit werkelijk gescheiden te zijn geweest.

En precies daarin ligt bevrijding.

Wanneer er geen onafhankelijke entiteit wordt gevonden, valt ook de last weg om iets te moeten zijn, of iets te moeten verklaren. Het leven hoeft niet langer gedragen te worden door een centrum—door een ‘ik’—noch door een ‘hoogste principe’. Het draagt zichzelf, moment na moment, in een natuurlijke orde van verschijnen en verdwijnen.

Dit inzicht vraagt geen overtuiging, geen geloof. Het nodigt gewoonweg uit. Tot verblijven in wat zich aandient, zonder toe-eigening. Tot dienstbaarheid aan wat hier en nu verschijnt, zonder iemand die dat bezit.

In deze eenvoud wordt stilte niet gezocht, maar herkend. Niet als afwezigheid van geluid, maar als afwezigheid van scheiding.

Er is geen onafhankelijke entiteit. En precies daarom is niets uitgesloten.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.