
Wat de Boeddha activisme noemt, wortelt niet in strijd maar in helder mededogen (karuṇā; id.). Het is geen ideologisch standpunt en geen poging om de wereld naar ‘ons’ beeld te vormen. Het ontstaat daar waar het hart niet langer kan wegkijken, waar lijden wordt gezien zonder grens en zonder toe-eigening.
Dit handelen komt niet voort uit een ‘ik’ dat iets wil bereiken. Wanneer er een doener verschijnt, verschijnt ook ‘worden’ (bhava; id.): de drang om te veranderen, te verbeteren, te bevestigen. Dan sluipt spanning binnen en kan betrokkenheid verharden tot afkeer of woede (dosa; dveṣa), en—in het slechtste geval—tot radicalisering. Niet omdat zorg verdwijnt, maar omdat zij zich vastzet in een identiteit.
Waar de Boeddha naar wijst, is een handelen dat ontspringt aan zien, aan inzicht (paññā; prajñā)—inzicht als bron, niet als methode. Een respons die vanzelf opkomt wanneer voorwaarden samenkomen, zonder claim, zonder verhaal. Hier is geen project van de toekomst, geen verlangen om iets te worden—alleen een passende beweging in dit moment.
In het loslaten van ‘worden’ valt ook de doener weg. Wat overblijft is betrokkenheid die rust in evenwicht, in harmonie, in gelijkmoedigheid(upekkhā; upekṣā): nabij, gevoelig, maar niet verstrikt. Zo wordt zorg niet zwaar, en mededogen niet scherp. Het handelt, maar laat niets na om vast te houden, om je eraan te hechten.
