
Vertalen is nooit een louter technische handeling. Het is niet zomaar het overzetten van woorden van de ene taal naar de andere, maar een subtiele vorm van interpretatie. Wie vertaalt, reikt niet enkel het verleden aan, maar vormt tegelijk de toekomst. Vertaling bewaart tradities niet alleen; vertaling creëert ze. Niets illustreert dat zo duidelijk als de geschiedenis van de Pāli-canon.
Wat wij vandaag kennen als de Pāli-canon is niet één uniforme stem, maar het resultaat van een mondelinge overlevering, gevolgd door een zorgvuldige schriftelijke notering eeuwen na het overlijden van de Boeddha. In dat proces werden keuzes gemaakt: wat wordt behouden, wat weggelaten, hoe wordt iets benoemd, in welke vorm.
De taal waarin de leer werd vastgelegd—het Pāli—is zelf een gestandaardiseerde conventie: het was niet de spreektaal van de Boeddha, maar een literaire constructie die dienst deed als voertuig voor zijn onderricht.
Wie vandaag met die teksten werkt, stapt in datzelfde proces van betekenisgeving. Begrippen zoals dukkha (duḥkha), anattā (anātman), nibbāna (nirvāṇa) of sati (smṛti) zijn geen pasklare concepten. Ze zijn doordrenkt van context, ervaring en gevoelswaarde.
De keuze om dukkha te vertalen als ‘lijden’, ‘onbevredigdheid’, ‘onvoldaanheid’ of ‘existentiële stress’ is geen neutrale keuze, maar een poort die zich opent naar een bepaalde beleving van het pad. Wat gekozen wordt, wordt beklemtoond. Wat beklemtoond wordt, krijgt gestalte in de praktijk. Zo vormt elke vertaling een subtiele verschuiving in hoe de Dhamma beleefd en beoefend wordt.
Doorheen de geschiedenis zien we dat dit proces voortdurend plaatsvindt. Toen het boeddhisme zich verspreidde van India naar Sri Lanka, Birma, Thailand en Cambodja, groeiden er binnen het theravāda-boeddhisme uiteenlopende benaderingen. Lokale vertalingen, hertalingen en interpretaties brachten accenten aan die uiteindelijk zelf traditie werden.
De werken van grote commentatoren zoals Buddhaghosa, en in het bijzonder zijn Visuddhimagga, hebben de manier waarop de leer begrepen wordt diepgaand beïnvloed. Zijn teksten zijn geen letterlijke overdracht, maar een systematisering en duiding van de oorspronkelijke leer. In die zin is zijn werk tegelijk vertaling en creatie—het vormde de grondtoon van de traditie zoals we die vandaag kennen. Mijn laatste boek ‘De Zestien Vipassanā-ñāṇa’s’ toont dit duidelijk aan.
Ook in de hedendaagse wereld blijft vertaling een kracht die traditie vormt. Westerse vertalingen van de Pāli-teksten hebben niet alleen de leer toegankelijk gemaakt voor een nieuw publiek, maar hebben ook geleid tot nieuwe benaderingen, zoals de opkomst van ‘mindfulness’-beoefening.
Maar wat onder mindfulness verstaan wordt, hangt af van hoe men sati (smṛti) begrepen en vertaald heeft. In sommige gevallen is die beoefening losgekomen van het ethische en bevrijdende kader waarin ze oorspronkelijk ingebed was. Ook de wijze waarop men nibbāna(nirvāṇa) vertaalt—als ‘uitdoving’, als ‘bevrijding’, als ‘stilte’—bepaalt het zicht op de uiteindelijke bestemming van het pad.
Juist daarom voelde het voor mij als een noodzaak aan om zelf Pālien Sanskriet te leren begrijpen. Niet uit academische ambitie, maar vanuit een innerlijke roep om de leer aan te raken in haar oorspronkelijke klankkleur en betekenisveld. Woorden als dukkha (duḥkha), anattā (anātman), sati (smṛti) of nibbāna (nirvāṇa) dragen in hun oorspronkelijke vorm een subtiliteit, een gelaagdheid, die in vertaling gemakkelijk verloren gaat. Door de worteltaal van de Dhamma te leren kennen, werd het mogelijk om voorbij de kaders van bestaande interpretaties te luisteren. Niet om nieuwe waarheden te scheppen, maar om de oorspronkelijke eenvoud en kracht van de leer recht in het hart te kunnen ontmoeten.
Tegelijk blijft het nodig om grote voorzichtigheid aan de dag te leggen bij elke vertaling. Wie uitsluitend op woorden vertrouwt, loopt het risico de Dhamma te reduceren tot een taalkundig bouwwerk. Maar de leer van de Boeddha leeft niet in de woorden alleen—ze leeft in de stilte tussen de woorden, in de directe ervaring van de geest die bevrijding zoekt.
Vertalen moet daarom niet enkel gestoeld zijn op tekstuele kennis, maar gegrond blijven in meditatie. Alleen in de rust van aandacht, in het licht van helder inzicht, wordt het mogelijk om aan te voelen wat een woord werkelijk draagt—en vooral: wat het overstijgt. Pas dan krijgt een vertaling bedding in ervaring, en blijft ze trouw aan de bevrijdende geest van de Dhamma.
De Boeddha sprak als volgt:
❛ Yo dhammaṁ passati, so maṁ passati — Wie de Dhamma ziet, ziet mij. ❜
Maar hoe de Dhamma wordt gezien, hangt samen met hoe zij wordt overgebracht, en dus met hoe zij wordt vertaald.
In dat licht wordt duidelijk dat vertaling niet zomaar een conserverende daad is, maar een creatieve handeling. Door te vertalen, vormen we hoe de Dhamma wordt gehoord, verstaan en doorgegeven. We treden binnen in een levende stroom van overdracht, waar taal en inzicht elkaar voortdurend vormen. De Pāli-canon leeft voort in die beweging—tussen woord en betekenis, tussen bewaren en herscheppen, tussen traditie en levende ervaring. En wie deze taak op zich neemt, doet er goed aan dit te doen met helderheid, aandacht en een diep respect voor wat zich in en achter de woorden ontvouwt.
