KAMMA: DE WETMATIGHEID VAN CAUSALITEIT

Wat wij kamma (karma) noemen is geen morele boekhouding, geen onzichtbare hand die beloont of straft. Het is de stille wetmatigheid van oorzakelijkheid: dat wat gedacht, gevoeld en gedaan werd, heeft zijn afdruk nagelaten in dit moment. Niet als verhaal, niet als schuld of verdienste, maar als richting, als neiging, als toon.

Dít moment is geen losstaand ogenblik. Het is een samenvloeiing van talloze bewegingen uit het verleden, samengevlochten tot één enkel ervaren. 

En tegelijk is ditzelfde moment de geboorteplaats van het volgende. Wat hier gedacht wordt, wat hier gevoeld wordt, wat hier gedaan wordt, zet zich zacht voort. Niet dramatisch. Niet spectaculair. Maar onvermijdelijk.

In de kern van kamma ligt intentie (cetanā; id.). Niet de uiterlijke vorm van een handeling, maar de innerlijke kleur ervan. Een gedachte doordrenkt van begeerte draagt een andere toon dan een gedachte die rust in eenvoud. Een handeling geboren uit afkeer laat een ander spoor na dan een handeling die voortkomt uit helder zien. Zo vormt zich, moment na moment, een veld van tendensen, van formaties (saṅkhāra; saṃskāra).

Toch is dit geen gesloten kringloop. Omdat dit moment niet enkel vrucht is, maar ook zaad. In elk ogenblik ligt een stille opening besloten. Niet om het verleden te herschrijven, maar om het heden niet gedachteloos te herhalen.

Wanneer zien ontstaat, wanneer aandacht (sati; smṛti) aanwezig is, vertraagt de automatische stroom, het gewoontepatroon. Dan wordt voelbaar dat er ruimte is vóór de volgende gedachte, vóór de volgende impuls, vóór de volgende beweging. In die ruimte ligt geen keuze in de gewone betekenis, maar een zachte ontvankelijkheid.

Hier wordt kamma niet ‘gemaakt’, maar verstaan. Niet als concept, maar als directe ervaring: dit ontstaat afhankelijk van dat (paṭicca-samuppāda; pratītya-samutpāda). Geen ‘ik’ dat bestuurt. Geen vaste kern die bezit. Slechts een voortdurend ontvouwen van voorwaarden (paccayā; pratyaya).

In die eenvoud openbaart zich ook dienstbaarheid. Niet als plicht, niet als ideaal, maar als de natuurlijke uitdrukking van helderheid. Wat minder vanuit zelfbeeld gebeurt, draagt vanzelf minder ballast. Wat minder gevoed wordt door toeëigening, draagt vanzelf minder kammische lading.

Zo wordt beoefening geen project, maar een verfijning van zien. Niet om een betere versie van zichzelf te worden, maar om steeds te rusten in wat al stil is. Vanuit die stilte wordt gedacht. Vanuit die stilte wordt gesproken. Vanuit die stilte wordt gehandeld.

En zo is elk moment, hoe klein ook, betekenisvol. Niet omdat het ergens toe moet leiden, maar omdat het precies hier de toon zet van wat volgt.

Stilte. Eenvoud. Dienstbaarheid. Niet als principes om vast te houden. Maar als natuurlijke geur van een leven dat leert luisteren.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.