NEEM GEEN DWAAS TOT METGEZEL

In de Dhammapada, vers 61, zegt de Boeddha:

❛ Wie op reis geen metgezel tegenkomt
die beter is dan hemzelf, of zijn gelijke is,
moet resoluut alléén verder gaan.
Neem geen dwaas tot metgezel.❜

Een kalyāṇamitta bevestigt niet, verzacht niet, houdt niets in stand. Waar bevestiging is, blijft zien uit. Wat ongemoeid blijft, blijft ondoorzien.

Een ware Dhamma-vriend laat niet voortbestaan wat niet waar is. Niet door in te grijpen. Niet door te sturen. Maar doordat wat zich verbergt geen stand houdt. Soms als een woord. Soms als stilte.

Niet de ander wordt geraakt, maar wat zich als ‘ik’ voordoet. Waar het ‘ik’ wankelt, verschijnt zien.

Ontbreekt zo’n vriendschap, dan is alleen verder gaan geen gemis, maar helderheid.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.