
De geest wil begrijpen. Dat is niet verkeerd. Maar soms wil hij méér dan begrijpen: hij wil vastleggen. Hij wil van nibbāna een ‘iets’ maken.
Dan wordt nibbāna een toestand. Een plaats. Een subtiele vorm van zijn. Een bestemming. Maar wat tot ‘iets’ wordt gemaakt, wordt ook een object van grijpen.
Wanneer nibbāna wordt voorgesteld als een verfijnde bestaanswijze, speelt het ‘ik’ weer op. Het ‘ik’ wil kennen. Bereiken. Bezitten. Zelfs nibbāna wordt dan een project.
Maar nibbāna is geen nieuw bestaan. Het is geen verfijning van bestaan. Het is het einde van worden (bhava; id.). Het is het uitdoven (sitibhāva; śītibhāva) van verlangen, van dorst.
Daarom is nibbāna niet iets wat men kan bezitten. Niet iets wat men kan zijn. Niet iets wat men kan vasthouden.
Wanneer dit helder wordt, valt het grijpen stil. Dan rest enkel eenvoud. En uit die eenvoud komt stilte voort. En uit stilte kan dienstbaarheid ontstaan: zonder streven, zonder claim, zonder ‘ik’.
Beschouw nibbāna niet als een verfijnde vorm van bestaan. Dat is de laatste valkuil.
