OVER KENNIS EN WIJSHEID…

In de Suddhatthaka Sutta ontwikkelt zich een korte maar veelzeggende dialoog:

[Een Brahmaan zegt:]
‘Ik zie het Zuivere. Ik zie het Ultieme.
Een persoon wordt gezuiverd door wat hij ziet.’

[Een Muni zegt:]
‘Wie het Ultieme wil ontsluieren, énkel gebaseerd op ‘zien’,
limiteert het Ultieme tot kennis.’

Zo raakt het gesprek aan een punt waar taal stil wordt. Want wat wordt bedoeld wanneer men zegt: “Ik zie het”?

In het rijk van de geest ontstaan snel voorstellingen. Men ziet iets—een visie, een idee, een gedachte, een systeem. En dat ‘zien’ kan rust geven, helderheid, structuur. Maar hoe subtiel ook, het blijft een beweging van weten. En weten is nog geen bevrijding. Vijjā (Skt. vidyā) is geen verzameling van gegevens, geen optelsom van inzichten, geen sluitend begrip van de Dhamma. Het is het uitdoven van de behoefte aan zekerheid, aan grijpen aan hechten.

De Boeddha sprak over paññā (Skt. prajñā)—wijsheid die niet rust op het concept, maar op het doorzien ervan. Niet op wat men ziet, maar op het beëindigen van de ziener. Wijsheid is geen helder antwoord, maar het vervagen van degene die vragen stelt. Wijsheid groeit niet in de uitbreiding van kennis, maar in het verteren ervan—tot niets meer rest dat nog begrepen moet worden.

Kennis kan het denken vullen. Wijsheid ledigt het hart. Kennis wil weten wat waar is. Wijsheid weet dat alles wat ontstaat ook weer vergaat. Kennis kijkt vooruit, op zoek naar verklaring. Wijsheid kijkt stil, en vindt vrede in het niet-weten.

De Muni in de sutta wijst niet af wat gezien werd, maar herkent hoe subtiel het grijpen zich verplaatst: van het zintuiglijke naar het conceptuele, van de zinnen naar de sutta’s, van de buitenwereld naar de leer. Zelfs dat kan een schuilplaats worden—een zuiverheid die men bezit.

Maar het Ultieme bezit niets. Het wordt niet gekend. Het wordt niet gevonden in woorden, niet bevestigd door logica. Het kan slechts herkend worden waar niets meer verdedigd hoeft te worden. Waar sati (Skt. smṛti) stil getuigt van wat is, zonder dat het ‘zien’ nog een ziener kent. Daar eindigt kennis. 

En dáár begint wijsheid—stil, zacht, zonder eigenaar. Want ware wijsheid woont niet in een structuur, niet in een leer, niet in een groep, een traditie, een organisatie of een naam. Ze is geen eigendom van ‘iemand’ of van ‘iets’. Ze wordt niet overgedragen, en kan niet geconserveerd worden in een doctrine. Ze ontspringt in het hart dat leeg geworden is van geloof en van twijfel—van verwachting én bevestiging.

Zoals de Boeddha zei in de Upavāṇasandiṭṭhikasutta, Saṃyutta Nikāya 35.70:

❛ Paccattaṃ veditabbo viññūhī — Door de wijze dient het zelf gerealiseerd te worden. ❜

Zonder structuur. Zonder tussenpersoon. Zonder autoriteit. Zonder toegangspoort. Alleen het stille inzicht: “Ik zie het… en ik laat het los.”

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.