
Soms duikt het op als een troostend idee—het verhaal van reïncarnatie. Alsof er een kern is die blijft, een ziel (attā) die verder trekt, een draad die niet breekt. Maar wie stil zit en kijkt, ziet geen draad. Geen kern. Geen ziel. Alleen het voortdurend oplichten en uitdoven van verschijnselen, als vonken uit een vuur.
De Boeddha wees niet naar een reizende ziel. Hij toonde slechts de stroom van oorzaken en gevolgen, het ontstaan van ervaring door contact, het verder rollen van het rad omdat de dorst niet gestild is. Wat men ‘wedergeboorte’ noemt, is geen overgaan van iets, maar het steeds opnieuw geboren worden in dit moment—door begeerte, door afkeer, door onwetendheid.
Zolang het hart grijpt, blijft er beweging. Niet van een entiteit die voortbestaat, maar van saṅkhāra’s die op hun beurt weer conditioneren. Zo ontstaat, moment na moment, het gevoel van een ik, van een wereld, van bestaan. Het is geen kringloop van wezens, maar van verlangen. Geen cyclus van identiteiten, maar van gehechtheid (upādāna; id.).
Reïncarnatie is een verhaal dat het denken probeert te weven rond een ervaring die niets prijsgeeft. Ze bevestigt geen geloof, geen metafysica, geen geruststelling. Ze nodigt enkel uit tot kijken—zonder grijpen, zonder hoop, zonder vrees.
En wie werkelijk kijkt, ziet geen drager van bewustzijn, geen reiziger door levens. Alleen deze ervaring, die oplicht en verdwijnt. Alleen dit moment, geboren uit oorzaken, eindigend in stilte. Wat geboren wordt, sterft. Wat losgelaten wordt, bevrijdt.
Daar, in dat eenvoudige inzicht, sterft het verhaal. Niet omdat het wordt weerlegd, maar omdat het niet langer nodig is. Omdat bevrijding zich geopend heeft.
