OVER STILTE, EENVOUD EN DIENSTBAARHEID

Verzaking (nekkhamma; naiṣkramya) wordt vaak begrepen als een vorm van verlies, alsof men iets waardevols moet opgeven om spiritueel te kunnen leven. In wezen wijst dit principe echter in een andere richting. Het nodigt niet uit tot tekort, maar tot eenvoud. Niet om het leven te verarmen, maar om het te ontdoen van wat het onnodig zwaar maakt.

Eenvoud is geen ascese die wordt afgedwongen, maar een toestand van voldoende zijn. Wanneer het leven minder wordt belast door overdaad, afleiding en innerlijke spanning, ontstaat een natuurlijke volledigheid. In die eenvoud wordt niets toegevoegd en niets weggehaald; wat blijft, krijgt ruimte om zichtbaar te worden.

Juist daar, in deze ongekunstelde helderheid, worden de innerlijke ervaringen herkenbaar. Het verlangen en het afweren, het hopen en het vrezen, het subtiele willen vasthouden en het even subtiele willen wegduwen. Deze patronen tonen zich niet omdat ze worden onderzocht, maar omdat de versluiering is weggevallen. Wat altijd al aanwezig was, kan nu worden gezien.

Dit zien is geen analyse, maar een vorm van sati (smṛti): een stille, niet-ingrijpende aandacht. De geest leert zichzelf kennen door niets te forceren. In deze open aandacht wordt duidelijk hoe gehechtheid (upādāna; id.) en afkeer (paṭigha; pratigha) telkens opnieuw vorm aannemen, hoe zij opkomen en weer verdwijnen.

Zo wordt verzaking geen daad van ontzeggen, maar een vorm van dienstbaarheid aan helderheid. Door eenvoud toe te laten, wordt het hart beschikbaar. Door niets te bezitten wat verdedigd moet worden, ontstaat rust. En in die rust wordt zichtbaar wat bevrijdt—niet omdat het gezocht wordt, maar omdat het niet langer wordt versluierd.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.