RONDJES DRAAIEN

De laatste woorden van de Boeddha op zijn sterfbed waren:

❛ Vaya dhamma sankhara, appamadena sampadetha—Ik zeg jullie: alles wat de mens bezielt, is aan vergankelijkheid onderhevig. Streeft niet aflatend! ❜

Saṃsāra kan op existentieel niveau verstaan worden om aan te geven dat de mens op élk moment en van moment-tot-moment verandert. Nooit één ogenblik gelijk blijft. Dat de mens metaforisch elk moment ‘sterft’ om het volgende moment a.h.w. ‘herboren’ te worden. Het is in deze figuurlijke betekenis dat wedergeboorte kan beschouwd worden in de sutta’s.

Ajahn Chah benadrukte herhaaldelijk:

‘We moeten voorbij alle dualiteit gaan, alle concepten, alle goed en kwaad, alle zuiverheid en onzuiverheid. We moeten voorbij zelf en niet-zelf gaan, voorbij geboorte en dood.

Een zelf zien als iets dat wedergeboren wordt is het echte probleem van de wereld. Zuiverheid is zonder grenzen, onaantastbaar, is voorbij alle tegenstellingen en alle schepping.’

Zonder inzicht verandert wedergeboorte niets aan het fundamentele probleem. Dat staat alleen voor rondjes draaien. Voor saṃsāra. Steeds hetzelfde doen in de ijdele hoop dat het resultaat ooit eens anders zal zijn.

Hoe zou reïncarnatie immers kunnen helpen als de wedergeborene ook in zijn volgende leven de ware aard van de dingen niet ziet? 

Uitsluitend inzicht kan de dhammanuvatti uit dukkha bevrijden. In dit leven. Niet in een denkbeeldige toekomst, maar hier en nu.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.