VAN GELOOF NAAR ZIEN

De Boeddha vroeg zijn volgelingen niet om hun vroegere geloof onmiddellijk te verwerpen. Hij nodigde hen uit om te kijken.

In de Pāli-canon zien we herhaaldelijk dat de Boeddha mensen niet vraagt hun vroegere religie abrupt af te zweren. In plaats daarvan nodigt hij hen uit om zelf te onderzoeken wat waar en heilzaam is. Zo zegt hij in de Kālāma Sutta dat men niet moet vertrouwen op traditie, overlevering of gezag alleen, maar zelf moet onderzoeken of iets werkelijk leidt tot welzijn en bevrijding.

Ook wanneer iemand uit een andere religieuze traditie tot hem kwam, legde de Boeddha de nadruk niet op het verlaten van die traditie, maar op het ontwikkelen van inzicht. In de Upāli Sutta zegt hij zelfs tegen de leek Upāli—die overweegt zich bij de Boeddha aan te sluiten—dat hij zijn besluit zorgvuldig moet overwegen en zijn eerdere verplichtingen niet overhaast moet opgeven. Daarmee toont hij dat een plotselinge breuk met een vroegere religie niet het doel van zijn onderricht was.

De Boeddha wist dat overtuigingen niet werkelijk verdwijnen door discussie of door ze simpelweg af te wijzen. Wat door woorden wordt opgebouwd, blijft door woorden ook weer bestaan. Daarom richtte hij de aandacht op iets anders: op direct inzicht in de aard van ervaring. 

In de boeddhistische traditie wordt dit direct zien vaak aangeduid als yathābhūta ñāṇadassana (yathābhūta-jñāna-darśana): het kennen en zien van de werkelijkheid zoals zij werkelijk is.

Wanneer een beoefenaar begint te zien dat alle verschijnselen vergankelijk zijn (anicca; anitya), onbevredigend (dukkha; duḥkha) en niet-zelf (anattā; anātman), verandert het begrijpen van de werkelijkheid vanzelf. Opvattingen die niet met dit zien overeenstemmen, verliezen geleidelijk hun overtuigingskracht. Ze hoeven niet bestreden te worden; ze vallen vanzelf weg, zoals een droom oplost bij het ontwaken.

Daarom waarschuwt de Boeddha ook voor het vastklampen aan opvattingen. In de Alagaddūpama Sutta vergelijkt hij zijn leer met een vlot dat dient om een rivier over te steken: wanneer men de overkant bereikt heeft, draagt men het vlot niet verder op zijn rug. Zelfs de Dhamma moet uiteindelijk worden losgelaten wanneer haar doel is vervuld.

De bedoeling van de Boeddha was dus niet om een oud geloof te vervangen door een nieuw geloof. Zijn bedoeling was het zien zelf te laten ontstaan.

Wanneer dat zien rijpt, vallen overtuigingen weg die niet overeenstemmen met de werkelijkheid—net zoals een illusie verdwijnt zodra men ziet hoe ze werkt. In dat stille zien laat men overtuigingen los, niet uit verzet, maar uit inzicht (paññā;prajñā).

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.