
De geest kan zich eindeloos verfijnen. Hij kan spreken over bewustzijn, over gewaarzijn, over het ongeconditioneerde, over wat blijft en wat niet verdwijnt. Maar hoe subtiel ook, zolang er gedachtwordt, is er geen zien.
Wat verschijnt, verdwijnt. Ook het kennen van wat verschijnt is afhankelijk en vergankelijk—anicca (anitya), dukkha (duḥkha), anattā (anātman).
Bevrijding ligt niet in het begrijpen van bewustzijn, maar in het doorzien van alles wat ontstaat, inclusief het kennen zelf.
Het ongeconditioneerde is geen achtergrond, geen stille getuige, geen blijvend gewaarzijn. Het toont zich niet als ‘iets’. Het wordt zichtbaar wanneer niets meer vastgehouden wordt (upādāna; id.).
Er is slechts één toetssteen: leidt dit naar het einde van dukkha, of naar het verfijnen van ideeën?
Waar het denken verfijnt, blijft de geest bewegen. Waar het zien eenvoudig wordt—direct wordt—valt alles stil.
