
In de oude teksten krijgt het woord ‘bhava’ twee gezichten. Soms betekent het ‘worden’, het voortdurend ontstaan van ervaring. Soms verwijst het naar het ontstaan van het ‘leven’ zelf—een menselijke geboorte, elke vorm waarin bewustzijn zich tijdelijk uitdrukt. Daarom zegt de Boeddha van een arahant, die volledig ontwaakt is, dat er nāparaṃ itthattāyāti (*)—geen verdere wording, geen nieuw bestaan meer is.
Maar wanneer we in meditatie spreken over ‘het einde van illusie’, bedoelen we iets dat veel dichter bij de directe beleving ligt. Niet het stoppen van het fysieke leven, en niet enkel het beëindigen van toekomstige wedergeboorte, maar het wegvallen van dat subtiele gevoel van ‘mijn leven’, ‘mijn worden’, ‘mijn pad’. Het innerlijke centrum dat hoopt, vreest, bezit, grijpt en hecht, lost op. Wat overblijft is stil, ongeboren (ajāta; id.), niet-geconditioneerd (asaṅkhata; asaṃskṛta).
Zolang het lichaam ademt, gaat het leven gewoon door—wandelen, spreken, zien, voelen. Maar het gaat verder zonder toe-eigening. Er is niemand die zegt: “dit ben ik.” Er is enkel beweging die zichzelf toont en weer verdwijnt, vrij van het idee dat er iemand is die haar draagt.
Zo raken twee perspectieven elkaar zonder elkaar tegen te spreken.
• Op het niveau van voorwaardelijkheid: geen nieuw bhava, geen verdere wording.
• Op het niveau van directe ervaring: geen innerlijke eigenaar, geen ‘ik’ dat leeft of wordt.
Nibbāna dooft niet het leven, maar de illusie. Niet het verdwijnen van ervaring, maar het verdwijnen van het grijpen dat ervaring verduistert. Wat dan overblijft is eenvoudig, transparant, zacht als licht op water. Geen nieuwe wording, geen nieuwe verhalen of drama’s—maar wel een levende aanwezigheid, ongehinderd en onaangeraakt.
Het is het einde van het ‘gemaakte’ (de verhalen en drama’s van onze eigen geest), niet het einde van het werkelijke. Wanneer bhava tot rust komt, valt slechts de illusie weg. Wat nooit ontstaan is, blijft.
______
(*) Nāparaṃ itthattāyāti (Skt: nāparaṃ ityatāyāti): letterlijk: “Er is geen verder ‘zo-zijn’ meer.” Het is een canonieke uitdrukking waarmee wordt aangegeven dat voor een arahant geen verdere ‘wording’ of bestaanscontinuatie (bhava; id.) meer ontstaat. Zij verwijst niet naar het ophouden van het leven, maar naar het definitieve tot rust komen van het wordingsproces.
