WANNEER ZELFS HET PAD VERDWIJNT

Wanneer het pad zich verdiept, kan er een subtiele verschuiving plaatsvinden die nauwelijks opvalt. Wat eerst als grof verlangen (taṇhā; tṛṣṇā) herkenbaar was—gericht op bezit, ervaring of erkenning—neemt een verfijndere vorm aan: het verlangen naar inzicht, naar zuivering, naar bevrijding.

In die zin draagt zelfs de beoefening nog een schaduw in zich.

Zolang er iets is dat bereikt moet worden, blijft er iemand die verlangt. En zelfs het verlangen naar ontwaken—hoe edel ook—kan zo een laatste beweging van toeëigening worden.

Maar wat gebeurt er wanneer ook dat wordt doorzien?

Niet door het te onderdrukken, niet door het te verwerpen, maar door het helder te zien zoals het is: een subtiele neiging tot grijpen.

In dat zien, verliest het streven zijn vanzelfsprekendheid. Wat overblijft, is geen onverschilligheid, maar een openheid die niets meer nodig heeft. Geen afwezigheid van beoefening, maar een beoefening zonder centrum.

Daar, waar zelfs het verlangen naar de vruchten van de beoefening oplost, opent het pad zich als wat het altijd al was: een uitnodiging tot zien.

En in dat zien is er niemand die iets bereikt—alleen het wegvallen van wat nooit werkelijk van iemand was.


Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.