WAT WORDT IN DE DHAMMA BEDOELD MET ‘PERSOON’?

Wanneer de Dhamma spreekt over een persoon (puggala; pudgala), spreekt zij niet over een vaste identiteit. Niet over een blijvend zelf dat door ervaringen heen standhoudt. Het woord persoon behoort tot de conventionele taal: een manier om samenhang te benoemen binnen de stroom van ervaring, handelen en herinnering.

Een persoon is geen entiteit, maar wat als een herkenbare continuïteit verschijnt. Een patroon van lichamelijke en mentale processen dat zich tijdelijk herhaalt. Gedrag krijgt een spoor, herinnering weeft samenhang, neigingen kleuren het heden. Wat zo verschijnt, wordt ‘persoon’ genoemd—niet omdat er iets gevonden wordt dat persoon is, maar omdat er samenhang is die zo benoemd wordt.

De Dhamma gebruikt dit begrip met zorg. Niet om een zelf te bevestigen, maar om verantwoordelijkheid mogelijk te maken. Kamma (karma) voltrekt zich niet los van deze continuïteit, maar ook niet in een blijvende drager. Handelen gebeurt, gevolgen rijpen, zonder dat er een vaste actor gevonden wordt.

In het licht van anattā (anātman) wordt duidelijk: de persoon bezit geen kern. Wat ‘persoon’ genoemd wordt, is samengesteld, veranderlijk en afhankelijk. Geen centrum dat draagt, geen oorsprong die blijft. Slechts voorwaarden die elkaar opvolgen.

Wanneer dit wordt doorzien, verliest het woord persoon zijn vanzelfsprekendheid. Niet omdat het onjuist was, maar omdat het zijn functie heeft vervuld. Wat overblijft is handelen zonder eigenaar en verantwoordelijkheid zonder beroep op een zelf.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.