‘WORDEN’ ALS ILLUSIE

In de leer van de Boeddha wordt ‘worden’  (bhava; id.) niet ontkend. Het ontstaat, beweegt, verandert en verdwijnt. Het is zichtbaar in elke ervaring, in elke neiging, in elke beweging waarin iets wil blijven. Het toont zich telkens opnieuw in het veld van het ervaren (phassa; sparśa), in de subtiele dynamiek van verlangen (taṇhā; tṛṣṇā), en in de voortzetting van bestaan (bhava; id.).

En toch wordt bhava illusoir genoemd wanneer het wordt opgevat als zelf (atta; ātman) of als toevlucht (saraṇa; śaraṇa). Illusoir betekent hier niet dat het er niet is. Het betekent dat het niet is ‘wat het lijkt te zijn’.

Wat ontstaat, doet dat altijd binnen voorwaarden (paccaya; pratyaya).Wat voortgaat, doet dat nooit uit zichzelf. En wat verschijnt, draagt geen kern in zich die kan worden vastgehouden als ‘dit ben ik’ of ‘hier kan ik rusten’Bhava ontstaat—maar niet als iets blijvends (nicca; nitya), niet als iets eigens, niet als iets dat werkelijk veiligheid (khema; kṣema) biedt.

Zolang ‘worden’ wordt gezien als een grond om op te rusten, als een identiteit om te beschermen, of als een richting om naartoe te bewegen, blijft het zichzelf voortzetten. Niet omdat het moet, maar omdat het verkeerd wordt begrepen. In deze onwetendheid (avijjā; avidyā), in dit misverstand (micchā diṭṭhī; mithyā dṛṣṭi) verschuilt zich de illusie, de schijn.

Wanneer het zien stiller wordt, eenvoudiger, bevrijd van toe-eigening (upādāna; id.), wordt bhava transparant. Het verschijnt nog steeds, maar zonder druk. Zonder claim. Zonder belofte. Het wordt ervaren als beweging, niet als bestemming, niet als ‘resultaat. Als proces (saṅkhāra; saṃskāra), niet als grond.

In die helderheid verliest ‘worden’ zijn dwingende kracht. Niet door het te onderdrukken, niet door het te overstijgen, maar door het niet langer te verwarren met wie of wat we in werkelijkheid zijn. Wat verschijnt mag verschijnen. Wat verdwijnt mag verdwijnen. Er hoeft niets vastgehouden te worden (anupādāna; id.).

Zo wordt het inzicht (paññā; prajñā) helder. Het bevrijdt niet door iets toe te voegen, maar door iets te laten vallen: de overtuiging dat ‘worden’ een thuis is. In die eenvoud opent zich ruimte. In die stilte wordt zichtbaar dat wat niet ‘wordt’, niet ontstaat en niet vergaat—het Ongeborene (ajāta; id.), het ongeconditioneerde (asaṅkhata; asaṃskṛta).

En precies daarin ligt bevrijding (vimutti; vimukti) die niets opeist en alles toelaat.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.