
De geest in zijn oorspronkelijke staat is de ruimte waar de beoefenaar zich bevrijd weet van zijn virtuele realiteit. Zich vrijmaakt van zijn geconditioneerde ornamenten: verlangens, afkeer, luiheid, loomheid, piekeren, stress en twijfel. Van zijn hindernissen (nīvaraṇāni; nivaraṇāḥ). Van zijn mentale constructies. Van zijn sankhāra’s. Van alles wat hem ‘bezielt’.
Het is de ruimte waar bevrijding (vimutti; vimukti) zich manifesteert en op de voorgrond treedt. Waar de ware aard van de verschijnselen steeds duidelijker wordt. Waar de beoefenaar geconfronteerd wordt met de naakte werkelijkheid. Waar elke vluchtweg versperd is. Waar zelfrealisatie zich onthult. Waar het zonlicht door de wolken priemt. Yathābhūta-ñāṇadassana (yathābhūta-jñānadarśana)—het zien en kennen (weten, begrijpen) van de dingen zoals ze werkelijk zijn.
