
Zintuiglijke verlangens zijn intens verbonden met het ego, met het ‘ik’, ‘mij’ en ‘mijn’: zintuiglijke verlangens worden ingevuld door persoonlijke voorkeuren. Doordat het ‘ik’ zo nauw betrokken is bij zintuiglijke verlangens, leiden deze tot identificatie en daardoor tot lijden (dukkha; duḥkha).
Zintuiglijke verlangens (kāmacchanda; id.) ontstaan niet door de objecten zelf, maar door de wijze waarop deze objecten via de zintuigen waargenomen en geïnterpreteerd worden. Het is onze perceptie (saññā; saṃjñā) die bepaalt of iets als aangenaam of onaangenaam ervaren wordt, en het is op basis van deze gekleurde perceptie dat begeerte of afkeer ontstaat. Het verlangen richt zich dus niet op het object op zich, maar op de mentale voorstelling ervan.
‘Saññā’ speelt hierbij een cruciale rol: het kleurt onze ervaring diep: het maakt onze wereld herkenbaar en betekenisvol—maar ook bedrieglijk vanzelfsprekend.
‘Saññā’ is snel, dominant, en vaak verblindend, juist omdat het zo nauw verbonden is met het illusoire ‘ik’. Het schept een wereld die ‘als vanzelf’ zinvol en objectief lijkt, terwijl die zin enkel door de geest is toegekend. ‘Saññā’ is geen neutraal gegeven.
De geur die bij de één weerzin oproept, kan voor een ander aangenaam zijn—niet door het neus-bewustzijn (ghāna-viññāṇa)zelf, maar door de interpretatie binnen het mentale bewustzijn (mano-viññāṇa), gevoed door perceptie (saññā).
Wat wij zien, horen of ruiken, is dus nooit louter een zintuiglijke indruk, maar steeds een vorm van interpretatieve perceptie—een subtiel samenspel tussen zintuig, geest en gewoontepatroon.
In die zin is saññā geen eenvoudige waarneming, maar de brug tussen zintuig en betekenis: het maakt van bewustzijn een wereld van herkenning, verwachting en projectie.
Saññā is ‘perceptief waarnemen’—en juist daardoor tegelijk onmisbaar en misleidend. Het biedt oriëntatie, maar creëert tezelfdertijd ook illusie.
Daarom is inzicht in de werking van saññā zo fundamenteel op het pad van bevrijding: het leert ons zien hoe betekenis ontstaat, en hoe gehechtheid zich subtiel in de ervaring nestelt.
De sleutel tot bevrijding bevindt zich precies in de overgang tussen contact (phassa; sparśa) en gewaarwording/gevoel (vedanā; id.)—de zesde en zevende schakel in het proces van afhankelijk ontstaan (paṭicca-samuppāda; pratītya-samutpāda).
In dat nauwelijks opgemerkte moment van saññā—van betekenisgeving—ligt het verschil tussen gewaar zijn en grijpen, tussen open aanwezigheid en het ontstaan van begeerte.
